Jesaja 60

11 Maak u op,2 word verlicht, want3 uw Licht komt, en4 de heerlijkheid van JAHWEH5 gaat over u op. 2Want zie,6 de duisternis zal7 de aarde bedekken, en donkerheid de volken; maar over u zal8 JAHWEH9 opgaan, en Zijn heerlijkheid zal10 over u gezien worden. 3En de heidenen zullen tot uw licht gaan, en koningen tot de glans, die u is opgegaan. 4Hef uw ogen rondom op, en zie, die allen zijn verzameld, zij komen15 tot u;16 uw zonen zullen van verre komen, en uw dochters zullen aan uw17 zijde gevoedsterd worden. 5Dan zult u het zien en samenvloeien, en uw hart20 zal vervaard zijn en21 verwijd worden; want22 de menigte van de zee zal23 tot u gekeerd worden,24 het leger van de heidenen25 zal tot u komen. 6Een hoop kamelen zal u bedekken, de snelle kamelen28 van Midian en29 Hefa;30 zij allen31 uit Scheba32 zullen33 komen; goud en wierook zullen zij aanbrengen,34 en zij zullen de overvloedigen lof van JAHWEH35 boodschappen. 7Al de schapen van Kedar zullen tot u verzameld worden; de rammen van Nebajoth zullen u dienen; zij zullen38 met welgevallen39 komen op Mijn altaar, en Ik zal40 het huis van Mijn heerlijkheid heerlijk maken. 8Wie zijn deze, die daar komen43 gevlogen44 als een wolk, en als duiven45 tot haar vensters? 9Want de eilanden zullen Mij verwachten, en48 de schepen van Tarsis allereerst, om49 uw kinderen van verre te brengen, hun zilver en hun goud met hen,50 tot de Naam van JAHWEH van uw God, en tot de Heilige van Israël, omdat Hij u51 heerlijk gemaakt heeft. 10En de vreemden zullen uw muren bouwen, ena hun koningen zullen u dienen; want in Mijn toorn heb Ik u geslagen, maar in Mijn welbehagen heb Ik Mij over u ontfermd. 11En uw poorten zullen steeds openstaan, zij zullen overdag of in de nacht niet toegesloten worden; opdat men tot u inbrenge het leger van de heidenen, en hun koningen tot u geleid worden. 12Want het volk en het koninkrijk, welke u niet zullen dienen, die zullen vergaan; en die volken zullen geheel verwoest worden. 13De heerlijkheid van Libanon zal tot u komen, de denneboom, de beuke boom en de busboom te gelijk, om te versieren de plaats van Mijn heiligdom, en Ik zal61 de plaats van Mijn voeten heerlijk maken. 14Ook zullen, zich buigende, tot u komen de kinderen van degenen, die u onderdrukt hebben, en allen, die u gelasterd hebben zullen zich neerbuigen aan de planten van uw voeten; en zij zullen u noemen65 de stad van JAHWEH,66 het Sion van de Heilige van Israël. 15In plaats datb u verlaten en gehaat bent geweest, zodat niemand door u heen ging, zo zal Ik u stellen tot een eeuwige heerlijkheid,70 tot een vreugde van geslacht tot geslacht. 16En u zult de melk van de heidenen zuigen, en u zult de borsten van de koningen zuigen; en u zult weten, dat Ik JAHWEH ben,c uw Heiland, en uw Verlosser, de Machtige van Jakob. 17Voor koper zal Ik goud brengen, en voor ijzer zal Ik zilver brengen, en voor hout koper, en voor stenen ijzer; en zal uw opzieners vreedzaam maken, en77 uw drijvers78 rechtvaardigen. 18Er zal geen geweld meer gehoord worden in uw land, verstoring noch verbreking in uw landpale; maar uw muren zult u Heil heten, en uw poorten Lof. 19De zon zal u niet meer wezen tot een licht overdag, en tot een glans zal u de maan niet lichten; maar JAHWEH zal u wezen tot een eeuwig Licht, en uw God tot uw Sierlijkheid. 20Uw zon zal niet meer ondergaan, en uw maan zal haar licht niet intrekken; want JAHWEH zal u tot een eeuwig licht wezen, en de dagen88 van uw treuring89 zullen een einde nemen. 21En uw volk zullen allen samen rechtvaardigen zijn, zij zullen in eeuwigheid de aarde erfelijk bezitten; zij zullen zijn een93d spruit van Mijn plantingen,94e een werk van Mijn handen,95 opdat Ik verheerlijkt word. 22De kleinste zal tot duizend worden, en de minste tot een machtig volk; Ik, JAHWEH, zal dat te zijner tijd99 snel doen komen.