Jesaja 57
11 De rechtvaardige komt om, en er is niemand, die het ter hart neemt; ena de weldadige mensen2 worden weggeraapt, zonder dat er iemand op let,3 dat de rechtvaardige weggeraapt wordt4 voor het kwaad.
25 Hij zal ingaan6 in de vrede; zij zullen rusten op hun7 slaapsteden, een ieder die in8 zijn oprechtheid gewandeld heeft.
3Maar nadert u hier toe,9 u kinderen van de10 guichelares! u overspelig zaad, en u, die hoererij bedrijft!
411 Over wie maakt u u12 lustig, over wie spert u de mond wijd open en steekt de tong lang uit? Bent u niet13 kinderen van de14 overtreding, een zaad van de valsheid?
5Die15 hittig bent16 in de eikenbossen, onder alle17 groene boom;18 slachtende de kinderen aan de beken,19 onder de hoeken van de steenrotsen.
620 Aan de gladde stenen van de beken21 is uw deel, die, die zijn22 uw lot; ook stort u dezelfde drankoffer23 uit, u offert hun voedseloffer;24 zou Ik Mij over deze dingen troosten laten?
7U stelt25 uw leger op een hogen en verhevenen berg; ook klimt u daarheen op,26 om slachtoffer te offeren.
827 En achter de deur en posten zet28 u uw gedenkteken; want van Mij29 wijkende ontdekt u u, en30 klimt op;31 u maakt uw leger wijd,32 en maakt u een verbond met enige daaruit, u hebt33 hun leger lief34 in35 elke plaats, die u ziet.
9En36 u trekt37 met olie tot de koning, en38 u vermenigvuldigt uw welriekende zalven; en u zendt uw gezanten39 verre weg,40 en vernedert u41 tot het dodenrijk toe.
10U bent vermoeid door uw grote reis, maar u zegt niet: Het is buiten hoop; u hebt het leven van uw hand gevonden, daarom wordt u niet ziek.
1147 Maar voor wie hebt u geschroomd of gevreesd? Want u hebt gelogen, en48 bent aan Mij niet gedachtig geweest, u hebt Mij op uw hart niet gelegd; is het niet,49 omdat Ik zwijg,50 en dat van ouds af, en u vreest Mij niet?
12Ik zal51 uw gerechtigheid52 bekend maken, en uw werken, dat zij u geen nut doen zullen.53
13Wanneer54 u roepen zult, zo laat die,55 die van u verzameld zijn, u redden; maar de wind zal hen allen wegvoeren, de zinloosheid zal hen wegnemen.b Maar die op Mij betrouwt, die zal het aarde erven, en56 Mijn heilige berg erfelijk bezitten.
14En57 men zal zeggen: Verhoogt de baan, verhoogt de baan, bereid de weg, neem de aanstoot uit de weg van Mijn volk.
15Want zo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij die, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make de geest van de nederigen, en opdat Ik levend make het hart van de verbrijzelden.
16Wantc Ik zal niet eeuwig twisten, en Ik zal niet59 steeds toornig zijn; want60 de geest zou van voor Mijn aangezicht61 overstelpt worden,62 en de zielen,d die Ik gemaakt heb.
17Ik was toornig over de ongerechtigheid63 van hun gierigheid, en sloeg64 hen; Ik verborg Mij, en was toornig; evenwel gingen zij afkerig heen in de weg van hun harten.
1866 Ik zie hun wegen, en Ik zal hen genezen; en Ik zal hen geleiden, en hun vertroostingen wedergeven, namelijk67 aan hun treurigen.
1968 Ik schep de vrucht van de lippen, vrede, vrede69 van hen, die verre zijn, en van hen, die nabij zijn, zegt JAHWEH, en Ik zal hen genezen.
20Maar de goddelozen zijn70 als een voortgedreven zee, want die kan niet rusten, en haar71 wateren72 werpen slijk en modder73 op.
21eDe goddelozen, zegt mijn God,74 hebben geen vrede.