Jesaja 49
11Hoort naar Mij,2 u eilanden! en luister toe, u volken van verre! JAHWEH heeft3 Mij geroepen van de buik af, van4 Mijn moeders binnenste af heeft Hij5 Mijn Naam6 gemeld.
2En Hij heeft Mijn mond7 gemaakt als een scherp zwaard,8 onder de schaduw van Zijn hand9 heeft Hij Mij bedekt; en Hij heeft Mij10 tot een zuiveren11 pijl gesteld, in Zijn pijlkoker heeft Hij Mij verborgen.
3En Hij heeft tot Mij gezegd:12 U bent Mijn Knecht, Israël,13 door Welke Ik verheerlijkt zal worden.
4Maar Ik zei: Ik heb te vergeefs gewerkt, Ik heb Mijn kracht onnuttelijk en zinloos toegebracht; zeker, Mijn recht is bij JAHWEH, en Mijn werkloon is bij Mijn God.
5En nu zegt JAHWEH, Die Mij Zich van moeders buik af tot een Knecht gevormd heeft, dat Ik20 Jakob tot Hem wederbrengen zou;21 maar Israël zal zich22 niet verzamelen laten;23 toch zal Ik verheerlijkt worden in de ogen van JAHWEH, en Mijn God zal Mijn Sterkte zijn.
6Verder zei Hij: Het is te gering, dat U Mij een Knecht zou zijn, om op te richten de stammen van Jakob, en om weer te brengen de bewaarden in Israël; Ik heb U ook gegeven tot een Licht van de heidenen, om Mijn heil te zijn tot aan het einde van de aarde.
7Zo zegt JAHWEH, de Verlosser van30 Israël, Zijn Heilige, tot31 de verachte ziel, tot Die, aan Welke32 het volk een gruwel heeft,33 tot de Knecht van degenen,34 die heersen: Koningen35 zullen het zien en36 opstaan, ook vorsten, en37 zij zullen zich voor U38 buigen; omwille van JAHWEH,39 Die getrouw is,40 om de Heilige41 van Israël, Die U gekozen heeft.
8Zo zegt JAHWEH: In die tijd van de welbehagens heb Ik U verhoord, en op de dag van het heil heb Ik U geholpen; en Ik zal U bewaren, en Ik zal U geven tot een verbond van het volk, om het aarde op te richten, om de verwoeste erfenissen te doen beërven;
9Om te zeggen53 tot de gebondenen: Gaat uit; tot hen,54 die in duisternis zijn:55 Komt te voorschijn;56 zij zullen57 op de wegen weiden, en op alle hoge plaatsen zal hun weide wezen.
1058 Zij zullen nietb hongeren, noch dorsten, en de hitte en de zon zal hen59 niet steken; want hun60 Ontfermer zal ze leiden, en61 Hij zal hen aan de springaders van de wateren zachtjes leiden.
11En62 Ik zal al Mijn bergen tot een weg maken, en Mijn banen zullen verhoogd63 zijn.
12Zie, deze zullen van verre komen; en zie, die van het noorden en64 van het westen, en geen uit het land65 van Sinim.
1366 Juich, u hemelen! en verheug u, u aarde! en67 u bergen! maakt gedreun met gejuich; want JAHWEH heeft Zijn volk vertroost, en Hij zal Zich over Zijn ellendigen ontfermen.
14Maar Sion zegt: JAHWEH heeft mij verlaten, en JAHWEH heeft mij vergeten.
15Kan ook een vrouw69 haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over de70 zoon van haar71 buik? Hoewel deze72 vergate, zo zal Ik toch73 u niet vergeten.
16Zie,74 Ik heb u in de beide handpalmen75 gegraveerd;76 uw muren77 zijn steeds voor Mij.
17Uw78 zonen zullen zich haasten;79 maar uw verstoorders en uw verwoesters zullen80 van u uitgaan.
18c Hef uw ogen op rondom, en zie,81 alle deze verzamelen zich, zij komen82 tot u; Zo waarachtig als Ik leef, spreekt JAHWEH, zeker, u zult u83 met alle deze84 als met een sieraad bekleden, en u zult ze85 u aanbinden, gelijk een bruid.
19Want86 in uw woeste en uw eenzame plaatsen, en uw verstoord land, zeker, nu zult u87 benauwd8889 worden van inwoners; en90 die u verslonden, zullen zich verre van u maken.
20Nog zullen91 de kinderen, waarvan u beroofd was, zeggen voor uw oren: De plaats is mij te nauw, wijk van mij,9293 dat ik wonen mag.
21En94 u zult zeggen in uw hart: Wie heeft mij deze gegenereerd, aangezien ik van kinderen beroofd en eenzaam was? Ik was95 in de gevangenis gegaan, en96 weggeweken; wie heeft mij dan deze opgevoed? Ziet, ik was alleen overgelaten, waar waren deze?
22Zo zegt de Adonai JAHWEH: Zie, Ik zal Mijn hand opheffen tot de heidenen, en tot de volken zal Ik Mijn banier opsteken; dan zullen zij uw zonen in de armen brengen, en uw dochters zullen op de schouder gedragen worden.
23En100 koningen zullen uw voedsterheren zijn,101 hun vorstinnen uw102 zoogvrouwen;103 zij zullen zich voor u buigen met het aangezicht ter aarde, en zij104 zullen het stof van uw voeten likken; en u zult weten, dat Ik JAHWEH ben, dat zij niet beschaamd zullen worden die Mij verwachten.
24105d Zou ook een machtige de vangst ontnomen worden, of zouden de gevangenen van een rechtvaardige ontkomen106?
25Maar zo zegt JAHWEH: Ja, de gevangenen van de machtigen zullen hem ontnomen worden, en de vangst van de tirans zal ontkomen; want met uw twisters zal Ik twisten, en uw kinderen zal Ik verlossen.
26En111 Ik zal uw verdrukkers spijzen met hun eigen vlees, ene van hun eigen bloed zullen zij dronken worden, als van zoeten wijn; en112 alle vlees zal gewaar worden, dat Ik, JAHWEH, uw Heiland ben, en uw Verlosser, de Machtige van Jakob.