Jesaja 36

11 En het gebeurde in het veertiende jaar van de koning Hizkia, dat Sanherib, de koning van Assyrië, optoog tegen alle versterkte steden van Juda, en2 nam ze in. 2En de koning van Assyrië zond Rabsake van3 Lachis naar Jeruzalem tot de koning Hizkia, met een zwaar leger; en hij stond4 aan de watergang van de oppersten vijvers,5 aan de hoge weg van het veld van de wolbewerker. 3Toen ging tot hem uit Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna,6 de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier. 4En Rabsake zei tot hen: Zegt nu tot Hizkia: Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat vertrouwen is dit, waarmee u vertrouwt; 5Ik mocht zeggen (maar het is een woord van de lippen): Er is raad en macht tot de oorlog; op wie vertrouwt u nu, dat u tegen mij rebelleert? 6Zie,7 u vertrouwt op diea gebrokenen rietstaf, op Egypte; op die zo iemand leunt, zo zal hij in zijn hand gaan en die doorboren; zo is Farao, de koning van Egypte, al van hen, die op hem vertrouwen. 7Maar zo u tot mij zegt: Wij vertrouwen op JAHWEH, onze God; is Hij Die niet, Wiens hoogten en Wiens altaren Hizkia weggenomen heeft, en Die tot Juda en tot Jeruzalem gezegd heeft: Voor dit altaar zult u u neerbuigen? 8Nu dan,10 wed toch met mijn heer, de koning van Assyrië; en ik zal u twee duizend paarden geven, zo u voor u de ruiters daarop zult kunnen geven. 9Hoe zou u dan het aangezicht van een enige vorst, van de geringste knechten van mijn heer, afkeren? Maar u vertrouwt op Egypte, om de wagens en om de ruiteren. 10En nu ben ik11 zonder JAHWEH opgetogen tegen dit land, om dat te verderven. JAHWEH12 heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dat land, en verderf het. 11Toen zei Eljakim, en Sebna, en Joah tot Rabsake: Spreek toch tot uw knechten in het Syrisch, want wij verstaan het wel; en spreek niet met ons in het Joods, voor de oren van het volk, dat op de muur is. 12Maar Rabsake zei: Heeft mijn heer mij tot uw heer en tot u gezonden, om deze woorden te spreken? Is het niet tot de mannen, die op de muur zitten, dat zij met u hun mest eten, en hun water drinken zullen? 13Zo stond Rabsake, en riep met luide stem in het Joods, en zei: Hoor de woorden van de grote konings, van de koning van Assyrië! 14Zo zegt de koning: Dat Hizkia u niet bedriege, want hij zal u niet kunnen redden. 15Daartoe, dat Hizkia u niet doe vertrouwen op JAHWEH, zeggende: JAHWEH zal ons zeker redden; deze stad zal niet in de hand van de koning van Assyrië gegeven worden. 16Hoort naar Hizkia niet; want zo zegt de koning van Assyrië: Handel met mij door een geschenk, en komt tot mij uit, en eet, een ieder van zijn wijnstok, en een ieder van zijn vijgeboom, en drink een ieder het water van zijn bornput; 17Totdat ik kom en20 u haal in een land,21 als uw land is, een land van koren en most, een land van brood en van wijngaarden. 18Dat Hizkia u niet verleide, zeggende: JAHWEH zal ons redden; hebben de goden van de volken, een ieder zijn land, gered uit de hand van de koning van Assyrië? 19Waar zijn de goden van22 Hamath en Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaim? Hebben zij ook Samaria van mijn hand gered? 20Welke zijn ze onder al de goden van deze landen, die hun land uit mijn hand gered hebben, dat JAHWEH Jeruzalem uit mijn hand zou redden? 21Maar zij zwegen stil, en antwoordden hem niet één woord; want het gebod van de koning was, zeggende: U zult hem niet antwoorden. 22Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, tot Hizkia25 met gescheurde kleren; en zij gaven hem de woorden van Rabsake te kennen.