Jeremia 9

11 Och,a dat mijn hoofd water was, en mijn oog een springader van tranen! zo zou ik dag en nacht bewenen de verslagenen van de dochter van mijn volk. 2Och, dat ik in de woestijn een2 herberg van de wandelaars had, zo zou ik mijn volk verlaten, en van hen trekken; want zij zijn allenb overspelers, een3 trouweloze hoop. 3En zij4 spannen hun tong als hun boogc tot leugen; zij worden geweldig in het land, maar niet5 tot waarheid; want zij6 gaan voort vand boosheid tot boosheid, maar Mij kennen zij niet, spreekt JAHWEH. 4Wees op uw hoede, ieder voor zijn vriend, en vertrouwt niet op enige broer; want elk broer7 doet niet dan bedriegen, en elk vriende wandelt in achterklap. 5En zij8 handelen bedriegelijk, een ieder met zijn vriend, en spreken de waarheid niet; zij leren hun tong leugen spreken, zij maken zich moe met verkeerd te handelen. 69 Uw woning is in het midden van10 bedrog; door bedrog weigeren zij Mij te kennen, spreekt JAHWEH. 7Daarom zegt JAHWEH van de legermachten zo: Zie, Ik zal hen smelten en zal hen beproeven; want hoe zou Ik anders doen ten aanzien van de dochter van Mijn volk? 8Hunf tong is een13 moordpijl, zij spreekt bedrog;14 een ieder spreekt met zijn naaste van vrede met zijng mond, maar in zijn15 binnenste legt hij16 zijn hinderlagen. 9h Zou Ik hen om deze dingen niet17 bezoeken? spreekt JAHWEH; zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk, als dit is? 10Ik zal een geween en een weeklage opheffen over de bergen, en een klaaglied over de18 herdershutten van de woestijn; want zij zijn19 afgebrand, dat er niemand doorgaat, en men hoort er geen stem van vee; van de vogels van de hemel aan tot de beesten toe20 zijn zij weggezworven, doorgegaan! 11En Ik zal Jeruzalem stellen tot steenhopen, tot een woning vani de draken; en de steden van Juda zal Ik stellen tot een verwoesting, zonder inwoner. 12Wie is de21 wijze man, die dit versta? En tot wie heeft de mond van JAHWEH gesproken, dat hij22 het verkondige, waarom het land vergaan en afgebrand zij als een woestijn, dat er niemand doorgaat? 13En JAHWEH zei: Omdat zij Mijn wet, die Ik voor hun aangezicht gegeven had, verlaten hebben, en naar Mijn stem niet gehoord, noch daarnaar gewandeld hebben; 14Maar hebben gewandeld naar het23 goeddunken van hun harten, en naar de24 Baäls, dat hun vaders hun geleerd hadden. 15Daarom zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël, zo: Zie, Ik zal dit volk spijzen met alsem, en Ik zal hen drenken met gallewater; 16En Ik zalm hen verstrooien onder de heidenen, die zij niet gekend hebben, zij noch hun vaders; en Ik zal het zwaard achter hen zenden,27 totdat Ik hen verteerd zal hebben. 17Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Merkt daarop, en roept klaagvrouwen, dat zij komen; en zendt heen naar de wijze vrouwen, dat zij komen. 18En haasten, en een weeklage over ons opheffen, dat onze ogen van tranen30 neerdalen, en onze oogleden van water stromen. 19Want er is een stem van weeklage gehoord uit Sion: Hoe zijn wij verstoord! wij zijn zeer beschaamd, omdat wij het land hebben verlaten,31 omdat zij onze woningen hebben omgeworpen. 20Hoort dan het woord van JAHWEH, u vrouwen! en uw oor ontvange het woord van Zijn mond, en leert uw dochters32 weeklagen, en elke een haar metgezellin klaagliederen. 2133 Want de dood is geklommen in onze vensteren, hij is in onze paleizen gekomen, om de34 kinderen uit te roeien van de wijken, de jongemannen van de straten. 22Spreek: Zo spreekt JAHWEH: Ja, een dood lichaam van de mensen zal liggen, als mest op het open veld, en als een garve achter de maaier, die niemand opzamelt. 23Zo zegt JAHWEH: Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom; 24Maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat, en Mij kent, dat Ik JAHWEH ben, doende weldadigheid, recht en gerechtigheid op de aarde, want in die dingen heb Ik lust, spreekt JAHWEH. 25Ziet, de dagen komen, spreekt JAHWEH, dat Ik40 bezoeking zal doen over alle besnedenen, met degenen, die de41 voorhuid hebben; 26Over42 Egypte, en over Juda, en over Edom, en over de kinderen Ammons, en over Moab, en over allen, die aan de43 hoeken afgekort zijn, die in de woestijn wonen; want al de heidenen44 hebben de voorhuid, maar het hele huis van Israël heeftp de45 voorhuid van het hart.