Jeremia 6
11 Vlucht met hopen, u kinderen van Benjamin! uit het midden van Jeruzalem, en blaast de bazuin te2 Thekoa, en heft een3 vuurteken op te4 Beth-cherem; want er5 kijkt een kwaad uit van het6a noorden, en een grote7 breuk.
2Ik heb wel de8 dochter van Sion bij een9 schone en wellustige10 vrouw vergeleken;
3Maar er11 zullen herders tot haar komen met hun12 kudden; zij zullen tenten rondom tegen haar13 opslaan; zij zullen ieder zijn14 ruimte afweiden.
415 Heiligt de oorlog tegen haar, maakt u op, en laat ons optrekken op de16 middag; o, wee ons! want de17 dag heeft zich gewend, want de avondschaduwen18 neigen zich.
5Maakt u op, en laat ons optrekken in de nacht, en haar paleizen verderven!
6Want zo zegt JAHWEH van de legermachten: Houwt bomen af, en werpt een wal op tegen Jeruzalem; zij is de stad, die bezocht zal worden; in het midden van haar is enkel verdrukking.
7Gelijk een bornput zijn water24 opgeeft, zo geeft zij haar boosheid op; geweld en verstoring wordt in haar gehoord,25 weedom en plaging is steeds voor Mijn aangezicht.
8Laat u26 tuchtigen, Jeruzalem! opdat Mijn ziel niet van u afgetrokken27 wordt, opdat Ik u niet stelle tot een woestheid, tot een onbewoond land.
9Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Zij zullen Israëls overblijfsel vlijtig nalezen, gelijk een wijnstok; breng uw hand weer, gelijk een wijnlezer, aan de korven.
10Tot wie zal ik spreken en betuigen, dat zij het horen? Ziet, hunc oor is31 onbesneden, dat zij niet kunnen toeluisteren; ziet, het woord van JAHWEH is hun tot een32 smaad, zij hebben geen lust33 daartoe.
11Daarom ben ik vol van JAHWEH34 woede, ik ben moe geworden van inhouden; ik35 zal ze uitstorten over de36 kinderen op de straat, en over de vergadering van de jongemannen samen; want zelfs de man met de vrouw zullen gevangen worden, de oude met die, die37 vol is van dagen.
12d En hun huizen zullen38 omgewend worden tot anderen, met samen de akkers en vrouwen; want Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen de inwoners van dit land, spreekt JAHWEH.
13Want van hun kleinste aan tot hun grootste toe39e pleegt een ieder van hen gierigheid, en van de40 profeet aan tot de priester toe41 bedrijft een ieder van hen valsheid.
14En zij genezen de breuk van de dochter van Mijn volk op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! maar daar is geen vrede.
1545 Zijn zij beschaamd, omdat zij gruwel bedreven hebben? Ja,46 zij schamen zich in het minste niet, weten ook niet van schaamrood te maken; daarom zullen zij vallen onder de vallenden, ten tijde als Ik hen bezoeken zal, zullen zij struikelen, zegt JAHWEH.
16Zo zegt JAHWEH: Staat op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin; zo zult u rust vinden voor uw ziel; maar zij zeggen: Wij zullen daarin niet wandelen.
17Ik heb ook wachters over u gesteld, zeggende: Luistert naar het geluid van de bazuin; maar zij zeggen: Wij zullen niet luisteren.
18Daarom hoort,50 u heidenen! en verneem, o u51 vergadering!52 wat onder hen is.
19Hoor toe, u53 aarde! Zie, Ik zal een kwaad brengen over dit volk, de54 vrucht van hun gedachten; want zij merken niet op Mijn woorden, en Mijn wet verwerpen zij.
20h Waartoe zal dan de55 wierook voor Mij uit56 Scheba komen, en de beste57 kalmus uit ver land? Uw brandofferen zijn Mij niet behagelijk, en uw slachtofferen zijn Mij niet58 zoet.59
21Daarom zegt JAHWEH zo: Zie, Ik zal dit volk allerlei aanstoot stellen; en daaraan zullen zich stoten samen vaders en kinderen, de buurman en zijn metgezel, en zullen omkomen.
22Zo zegt JAHWEH: Zie, er komt een volk uit het land van het noorden, en een grote natie zal opgewekt worden uit de zijden van de aarde.
23Boog en65 speer zullen zij66 voeren, het is een wreed volk, en zij zullen niet barmhartig zijn; hun stem zal bruisen als de zee, en op paarden zullen zij rijden;67 het is68 toegerust, als een man ten oorlog tegen u, o dochter van Sion!
24Wij hebben69 zijn gerucht gehoord, onze handen zijn70 slap geworden; benauwdheid heeft ons aangegrepen, weedom als vank een barende vrouw.
25Gaat niet uit in het veld, noch wandelt op de weg; want van71 de vijand zwaard is er, schrik van rondom!
26O dochter van Mijn volk!l gord een72 zak aan, en73 wentel u in de74 as, maak u rouw als over een enige zoon75, een76 zeer bitter luid weeklagen; want de verstoorder zal ons snel overkomen.
2777 Ik heb u onder Mijn volk gesteld, tot een78 wachttoren, tot een vesting; opdat u hun79 weg zou weten en proeven.
28Zij zijn allen de afvalligsten van80 de afvalligen, wandelende81 in achterklap; zij zijn82m koper en ijzer; zij zijn allemaal83 verdervers.
2984 De blaasbalg is verbrand, het lood is van het vuur verteerd; te vergeefs heeft de85 smelter zo vlijtig gesmolten, omdat de bozen niet86 afgetrokken zijn.
3087 Men noemt ze een verworpen zilver; want JAHWEH heeft henn verworpen.