Jeremia 4

11 Zo u u bekeren zult, Israël! spreekt JAHWEH, bekeer u tot Mij; en zo u uw2 verfoeiselen van Mijn aangezicht zult wegdoen, zo3 zwerft niet om. 2Maar4 zweer: Zo waarachtig als JAHWEH leeft! in5a waarheid, in6 recht en in gerechtigheid; zo zullen zich de7 heidenen in8 Hemb zegenen, en zich in Hem beroemen. 3Want zo zegt JAHWEH tot de mannen van Juda, en tot Jeruzalem: Braakt u een braakland, en zaait niet onder de doornen. 413 Besnijdt u JAHWEH en doet weg de voorhuiden van uwc harten, u mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem! opdat van mijn woede niet uitvare als een14d vuur, en brande, dat niemand blussen kunne, vanwege de boosheid van uw handelingen. 5Verkondigt in Juda, en laat het horen te Jeruzalem, en zegt het; ja, blaast de bazuin in het land; roept met volle stem en zegt: Verzamelt u, en laat ons ingaan in de versterkte steden! 6Werpt de banier op17 naar Sion, vlucht18 met hopen, blijft niet staan! want Ik breng een19 kwaad aan van20 het noorden, en een grote21 breuk. 7De22e leeuw is opgekomen uit zijn haag, en de verderver van de heidenen is opgetrokken, hij is uitgegaan uit zijn plaats, om23 uw land te stellen in verwoesting; uw steden zullenf verstoord worden, dat er niemand in woon. 8Hierom, gordt24 zakken aan,g bedrijft luid weeklagen en huilt; want de hitte van de toorn van JAHWEH is niet van ons afgekeerd. 9En het zal in die tijd gebeuren, spreekt JAHWEH, dat het hart van de koning en het hart van de vorsten25 vergaan zal; en de priesters zullen zich ontzetten, en de26 profeten zich verwonderen. 10Toen zei ik: Ach, Adonai JAHWEH! werkelijk, U hebt dit volk en Jeruzalem enorm bedrogen, zeggende: U zult vrede hebben; daar het zwaard tot aan de ziel raakt. 11In die tijd zal tot dit volk en tot Jeruzalem gezegd worden: Een29 dorre wind van de hoge plaatsen in de woestijn,30 van de weg van de dochter van Mijn volk; niet om te wannen, noch om te31 zuiveren. 12Er zal Mij een wind komen, die hun32 te sterk zal zijn. Nu zal Ik ook33 oordelen tegen hen uitspreken. 13Ziet,34 hij komt op als wolken, en zijn wagens zijn als een wervelwind, zijn paarden zijn35 sneller dan adelaars;36 wee ons, want wij zijn verwoest! 14h Was uw hart van boosheid, o Jeruzalem! opdat u behouden wordt; hoe lang zult u de37 gedachten van uw zinloosheid in het binnenste van u laten38 overnachten? 15Want een stem39 verkondigt van40 Dan af, en doet ellende horen van41 het gebergte van Efraïm. 16Vermeldt het volk, ziet, doet het42 horen tegen Jeruzalem; daar komen43 hoeders uit44 ver land; en zij45 verheffen hun stem tegen de steden van Juda. 17Als de46 wachters van de velden zijn zij rondom tegen47 haar; omdat48 zij tegen Mij opstandig geweest is, spreekt JAHWEH. 18Uw49 weg en uw handelingen hebben u50 deze dingen gedaan; dit is uw51 boosheid, dat52 het zo bitter is, dat het tot aan uw hart raakt. 1953 O mijni binnenste, mijn binnenste! ik heb barenswee, o54 wanden van mijn hart! mijn hart maakt getier in mij, ik kan niet55 zwijgen; want u, mijn ziel! hoort het geluid van de bazuin en het krijgsgeschrei. 2056 Breuk op breuk wordt er uitgeroepen; want het hele land is verstoord; haastig zijn mijn57 tenten verstoord, mijn gordijnen in een58 ogenblik! 21Hoe lang zal ik de banier zien, het geluid van de bazuin horen? 22Zeker, Mijn volk is dwaas, Mij kennen zij niet; het zijn zotte kinderen, en zij zijn niet verstandig;59 wijs zijn zij om kwaad te doen, maar60 goed te doen weten zij niet. 23Ik zag het61 land aan, en ziet, het was62 woest en leeg; ook naar de hemel, en zijn63 licht was er niet. 24Ik zag de bergen aan, en ziet, zij beefden; en al de heuvelen64 schudden. 25Ik zag, en ziet, er was geen mens; en alle vogels van de hemel waren65 weggevlogen. 26Ik zag, en ziet, het66 vruchtbare land was een woestijn, en al67 zijn steden waren afgebroken, vanwege JAHWEH,68 vanwege de hitte van Zijn toorn. 27Want zo zegt JAHWEH: Dit hele land zal een woestijn zijn (maar Ik zal geen voleinding maken); 28Hierom zal de aarde treuren, en de hemel daarboven71 zwart zijn; omdat Ik het heb gesproken, Ik heb het voorgenomen en het zal Mij niet rouwen, en Ik zal Mij daarvan niet afkeren. 29Van het72 geroep van de ruiteren en boogschutters73 vluchten al de steden; zij gaan in de74 wolken, en klimmen op de rotsen; al de steden zijn verlaten, zodat niemand daarin woont. 30Wat zult u dan doen,75 u verwoeste? Al76 kleedde u u met scharlaken, al versierde u u met gouden sieraad, al77 scheurde u uw ogen met blanketsel, zo zou u u toch tevergeefs oppronken; de78 boelen versmaden u, zij zullen uw79 ziel zoeken. 31Want ik hoor een stem als van een vrouw, die in arbeid is, een benauwdheid als van één, die in van de eerste kinds nood is, de stem van de dochter van Sion; zij hijgt, zij breidt haar handen uit, zeggende: O, wee mij nu, want mijn ziel is moe vanwege de moordenaars!