Jeremia 12

11 U zou rechtvaardig zijn, o JAHWEH! wanneer ik tegen U zou twisten;2 ik zal toch van Uw oordelen met U spreken;a waarom is de3 goddelozen weg voorspoedig, waarom hebben zij rust, allen, die trouweloos trouweloosheid bedrijven? 2U hebt ze geplant, zij zijn ook ingeworteld, zij4 gaan voort, ook5 dragen zij vrucht; U bent6 wel nabij in hunb mond, maar verre van hun7 nieren. 38 Maar U, o JAHWEH!c kent mij, U ziet mij, end proeft mijn hart,9 dat het met U is.10 Ruk ze uit als schapen ter slachting, en11 heilig ze tot de dag van de doding. 4Hoe lang zal het land12 treuren, en het kruid van het hele veld verdorren? Vanwege de boosheid van degenen, die daarin wonen, vergaan dee beesten en het gevogelte; omdat zij13 zeggen: Hij ziet ons14 einde niet. 515 Als u loopt met de voetgangers, zo maken zij u moe; hoe zult u u dan16 mengen met de paarden? Zo u alleen vertrouwt in een land van17 vrede, hoe zult u het dan maken in de verheffing van de Jordaan? 6Want ook uw broers en het huis van uw vader, ook die handelen trouweloos tegen u; ook die roepen u18 met volle stem achterna; geloof19f hen niet, wanneer zij20 vriendelijk tot u spreken. 7Ik heb Mijn21 huis verlaten, Ik heb Mijn22 erfenis laten varen; Ik heb de23 geliefde Van mijn ziel in de hand haar vijanden gegeven. 8Mijn erfenis is Mij geworden als een leeuw in het woud; zij heeft haar stem tegen Mij24 verheven, daarom heb Ik25 haar gehaat. 9Mijn erfenis is Mij26 een gesprenkelde vogel; de vogels zijn rondom tegen haar; komt aan, verzamelt, al u gedierte van het veld,g komt om te eten! 10Veel27h herders hebben Mijn28 wijngaard verdorven, zij hebben Mijn29 akker vertreden; zij hebben Mijn30 gewensten akker gesteld tot een31 woeste wildernis. 1132 Men heeft33 hem gesteld tot een woestheid, verwoest zijnde treurt hij tot Mij; het hele land is verwoest, omdat er niemand is, die34 het ter hart neemt. 12Op alle35 hoge plaatsen in de woestijn zijn verstoorders gekomen; want het36 zwaard van JAHWEH verteert van het ene einde van het land tot aan het andere einde van het land; er is geen37 vrede voor38 enig vlees. 1339 Zij hebben tarwei gezaaid, maar doornen gemaaid; zij hebben zich40 gepijnigd, maar niet gevorderd;41 wordt zo beschaamd42 vanwege uw inkomsten, vanwege de hitte van de toorn van JAHWEH. 14Zo zegt JAHWEH: Voor wat betreft al Mijn boze buren, die Mijn erfenis aanroeren, die Ik Mijn volk Israël erfelijk gegeven heb; ziet, Ik zal hen uit hun land uitrukken, maar het huis van Juda zal Ik uit hun midden uitrukken. 15En het zal gebeuren, nadat Ik48 hen zal uitgerukt hebben, zo zal Ik terugkeren, en Mij over hen49 ontfermen; en Ik zal hen wederbrengen, ieder tot zijn erfenis, en ieder tot zijn land. 16En het zal gebeuren, als zij50 de wegen van Mijn volk51 vlijtig zullen leren,52 zwerende bij Mijn Naam: Zo waarachtig als JAHWEH leeft! zoals zij Mijn volk geleerd hebben te zweren bij Baäl, zo zullen zij in het midden van Mijn volk53 gebouwd worden. 17l Maar als zij niet zullen horen, zo zal Ik die natie54 ten enenmale uitrukken en verdoen, spreekt JAHWEH.