Jeremia 1

Boekinleiding lees meer ▾ DE Profeet Ieremia, heeft door Gods bevel en ingeven van de H. Geest, in dit Boek beschreven, niet alleen zijn predicatien en prophetyen, die hij, gedurende de tijt van meer dan 40 jaren, met een heil...
DE Profeet Ieremia, heeft door Gods bevel en ingeven van de H. Geest, in dit Boek beschreven, niet alleen zijn predicatien en prophetyen, die hij, gedurende de tijt van meer dan 40 jaren, met een heiligen ijver, bysondere vrymoedigheid, en een exemplare bestandigheid, onder de Koningen Iosia, Ioahas, Iojakim, Iojachin (anders ook genaamd Iechonia en Chonia) en Zedekia, bij de verdorvenen Joodse volk gedaan heeft: maar ook verscheidene geschiedenissen, die zich ondertussen hebben toegedragen, dienende tot onderwijs van Gods Kerk, en bevesting zijn Prophetyen. In zijn predicatien bestraft en scheldt hij de Joden doorgaans zeer scherp en heftichlijk van wegen de menichvuldige grove zonden, en grouwelen, strijdich tegen de eerste en tweede tafel van Gods wet, die dagelicx bij grote en kleinen, in de kerkelijken, politijken, en burgerlijken stant d’overhant naamn, en op’t hoogste klommen: met zeer eernstige en beweeglijke vermaningen tot ware bekering. Maar alzo van de geen apparentie van bekering voor handen en was, maar ter contrarie alles van kwaad tot erger verliep, dreigt en voorzegd hij haar allerlei zware plagen Gods, in het bijzonder de verstooring van de stad Jeruzalem, van de Tempels, en van de gantschen lants, door de Konink van Babel, en ook zeer uitdrukkelijk, de weg-voering van de volcx in de tseventich-jarige Babylonische gevangenis, met allerlei aanklevende elenden, die hij haar, zo tot overtuiging van de onboetveerdigen en hardnekkigen, als tot onderwijs en waarschouwing van de vroomen, niet alleen met woorden van zonderlingen nadruk, maar ook met verscheiden Goddelijke tekenen, als in een spiegel, levendig voor oogen stelt en afmaalt, en met zijn hertgrondelijke deernis, medelyden, voor-bidden bij God, ja bitter weenen en weeklagen (als alles voor oogen ziend) betuigt en verzegelt, Zoals hyse naderhant met groot hertzeer heeft moeten beleven, en met zijn oogen aanschouwen. Aan d’ander zijde troost en versterkt hij d’overige bedroefde boetveerdige en geloovige zielen met zeer klare en schoone prophetyen; eensdeels, van de verlossing uit de Babylonische gevangenis, wederkomste in haar Land, en andere toekomstige weldaden Gods, die hij haar van gelijken met wonderlijke Goddelijke gezichten en tekenen afbeeldt; Item, van zware oordelen Gods over vele na-bij en verre gelegene heidense vyantlijke volkeren, die Gods volk geplaagd hadden, bijzonderlijk over dat trotse en tyrannige Babel, een voorbeelt van de Antichristischen Babels in de Nieuwen Testamente: Anderdeels, en bijzonderlijk, met prophetyen van de geestelijke verlossing door de Messiam, onze JAHWEH JEZUS CHRISTUS, van wiens Perzon, Zaligmakende ambt, Gena den-verbond, Prediking van de Evangelie, Algemene Kerk uit Joden en heidenen, en van de zelfr (zo strijdende als triumpherende) overvloedige zegeningen en geluksaligheid, bij wijtloopich, zeer heerlijk, en lieflijk profeetert.
1De1 woorden2 van Jeremia, de zoon3 van Hilkia, uit de4 priesters, die te5 Anathoth waren, in het land van Benjamin; 2Tot welke het woord van JAHWEH gebeurde, in de dagen vana Josia, zoon van Amon, koning van Juda, in het dertiende jaar6 van zijn regering. 3Ook7 gebeurde het tot hem in de dagen vanb Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda, totdat voltooid werd het8 elfde jaar vanc Zedekia,9 zoon van Josia, koning van Juda; totdat10 Jeruzalem als gevangene werd weggevoerd ind de vijfde maand. 4Het woord van JAHWEH dan gebeurde tot mij, zeggende: 5Eer Ik u in11 moeders buik vormde, heb Ik u12 gekend, en13 voordat u uit de baarmoeder voortkwaamt,e heb Ik u14 geheiligd; Ik heb u de volken tot een15 profeet gesteld. 6Toen zei ik: Ach, Adonai JAHWEH! zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong. 7Maar JAHWEH zei tot mij: Zeg niet: Ik ben jong; want overal, waarheen Ik u zenden zal, zult u gaan, en alles, wat Ik u gebieden zal, zult u spreken. 8Vreesg niet voor18 hun aangezicht, wanth Ik ben19 met u, om u te redden, spreekt JAHWEH. 9En JAHWEH stak Zijn hand uit, en roerde mijn mond aan; en JAHWEH zei tot mij: Zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond. 10Zie, Ik stel u te deze dage over de volken en over de koninkrijken,22 oml uit te rukken, en af te breken, en te verderven, en te verstoren; ook om te bouwen en te planten. 11Verder gebeurde het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: Wat ziet u, Jeremia? En ik zei: Ik zie een amandelroede. 12En JAHWEH zei tot mij: U hebt wel gezien; want Ik zal wakker zijn over Mijn woord, om dat te doen. 13En het woord van JAHWEH gebeurde voor de tweede keer tot mij, zeggende: Wat ziet u? En ik zei: Ik zie een ziedenden pot, waarvan het voorste deel tegen het noorden is. 14En JAHWEH zei tot mij: Van het noorden zal zich dit kwaad opdoen over alle inwoners van het land. 15Want zie,n Ik29 roep alle geslachten van de30 koninkrijken van het noorden, spreekt JAHWEH; en zij zullen komen, en31o zetten ieder zijn troon voor de deur van de poorten van Jeruzalem, en tegen al haar muren rondom, en tegen alle steden van Juda. 16En Ik zal Mijn oordelen32 tegen hen uitspreken33 over al hun boosheid; dat zij Mij verlaten hebben, en anderen goden gerookt, en zich gebogen hebben voor de34 werken van hun handen. 17U dan,35 gord uw lendenen, en maakt u op, en spreek tot hen alles, wat Ik u gebieden zal; wees niet verslagen voor hun aangezicht, opdat Ik u voor hun aangezicht niet versla.36 18Want zie, Ik stel u hedenp tot een37 versterkte stad, en tot een ijzeren pilaar, en tot koperen muren tegen het hele land; tegen de koningen van Juda, tegen haar vorsten, tegen haar priesters, en tegen het volk van het land. 19En zij zullen tegen u strijden, maar tegen u niet vermogen; want Ik ben met u, spreekt JAHWEH, om u uit te helpen.