Hooglied 1

Boekinleiding lees meer ▾ DE Autheur of beschrijver deze Boeks is Salomo, die het zelf beschreven heeft door ingeven van de H. Geest. Het is een gesprek tusschen CHRISTUS als Bruidegom, en de Bruid zijn Kerk, onder het voorbee...
DE Autheur of beschrijver deze Boeks is Salomo, die het zelf beschreven heeft door ingeven van de H. Geest. Het is een gesprek tusschen CHRISTUS als Bruidegom, en de Bruid zijn Kerk, onder het voorbeelt van Salomo en zijn Bruid: in voegen, als in de 45 Psalm. Ook spreken in dit Hooge liet somtijts de Vrienden van de Bruidegoms, en de Speel-maagden van de Bruid. Onder de naam van de Vrienden van de Bruidegoms canmen verstaan de oprechte, vroome, Godtsalige Profeten van de Ouden, en d’Apostelen van de Nieuwen Testaments, en ook alle getrouwe Predicanten of Leraren en voorstanders van de Kerk. Onder de naam van de Speel-maagden, of Vriendinnen van de Bruid, can men verstaan, de belijders van de naams JEZUS CHRISTUS, en van de warer Religie. Onder de naam van de Bruidegoms, en van de Bruid, worden in dit Hooge liedt, onder verbloemde woorden, beschreven de hertelijke liefde, en de voor-treffelijke weldaden van de Heeren JEZUS CHRISTUS van de Bruidegoms, tot de Christelijke Kerk zijn Bruid: En aan d’ander zijde, van de Bruid, zijn H. Kerk, hertelijk verlangen na haar lieven Bruidegom de JAHWEH JEZUS CHRISTUS. Ook wordt in dit Boek ons voor oogen gesteld de gelegentheid die het met de kerk Gods hier op aarden heeft: Als ook derzelfr deuchden, ook haar vlekken en onvolmaaktheden.
11 Het Hooglied, dat2 van Salomo is. 23 Hij4 kusse mij5 met de kussen6 van Zijn mond; want Uw7 uitnemende liefde isa beter dan8 wijn. 3Uw9 oliën zijn goed tot reuk,10 Uw naam is11 een olie, die uitgestort wordt;12 daarom hebben U de maagden lief. 413 Trek mij, wij zullen U nalopen!14 De Koning heeft mij gebracht15 in Zijn binnenkameren;16 wijb zullen ons verheugen en17 in U verblijden;18 wij zullen Uw uitnemende liefde vermelden,19 meer dan de wijn;20 de oprechten hebben U lief. 521 Ik ben zwart, maar22 liefelijk23 (u dochters van24 Jeruzalem!), gelijk de tenten van25 Kedar, gelijk de gordijnen van Salomo. 626 Ziet mij niet aan, dat ik zwartachtig ben, omdat mij27 de zon heeft beschenen;28 de kinderen van mijn moeder waren tegen mij29 ontstoken, zij hebben mij gezet tot een hoederin30 van de31 wijngaarden. Mijn wijngaard, die ik heb, heb ik niet gehoed. 732 Zegc mij aan,d U, Die mijn ziel liefheeft, waar33 U weidt, waar U de kudde legert in de middag; want34 waarom zou ik zijn als een, die zich bedekt bij de kudden van Uw metgezellen? 835 Als u het niet weet,e o u36 schoonste onder de vrouwen!37 zo ga uit op de voetstappen van38 de schapen, en weid uw geiten39 bij de woningen van de herders. 9f Mijn vriendin! Ik vergelijk u40 bij de paarden aan de wagens van Farao. 10g Uw wangen zijn liefelijk in41 de spangen, uw hals42 in de parelsnoeren. 1143 Wij zullen u gouden spangen maken, met44 zilveren stipjes. 1245 Terwijl46 de Koning aan Zijn47 ronde tafel is,48 geeft mijn49 nardus zijn reuk. 1350 Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre,51 dat tussen mijn borsten overnacht. 14Mijn Liefste is mij52 een tros van Cyprus, in de wijngaarden van53 En-gedi. 15Zie,54 u bent schoon, Mijn vriendin! Zie,55 u bent schoon; uw ogen zijn56 duivenogen. 16h Zie,57 u bent schoon, mijn Liefste,58 ja, liefelijk;59 ook groent onze bedstede. 1760 De balken van onze huizen zijn cederen, onze61 galerijen zijn62 cipressen.