Hebreeën 8

11 De hoofdsom nu van de dingen, waarvan wij spreken, is,a dat wij hebben zulk een Hogepriester,b Die gezeten is2 aan de rechterhand van de troon van de Majesteit in de hemelen: 2Een Dienaar3 van het heiligdom, en4 van de ware5 tabernakel, die de Heere heeft opgericht, en geen mens. 36 Want ieder hogepriester wordt gesteld, om gaven en slachtofferen te offeren;c waarom het noodzakelijk was, dat ook Deze7 wat had, dat Hij zou offeren. 4Want als Hij op aarde was,8 zo zou Hij zelfs geen Priester zijn, omdat er priesters zijn, die9 naar de wet gaven offeren; 5d Die het voorbeeld en de schaduw10 van de hemelse dingen dienen, zoals Mozes door Goddelijke aanspraak vermaand was,e als hij de tabernakel volmaken zou: Want zie, zegt Hij, dat u het alles maakt naar11 de afbeelding,12 die u13 op de berg getoond is. 6f En nu heeft14 Hij zoveel uitmuntender bediening gekregen, als Hij ook15 Middelaar van een beter verbond is, dat in16 betere beloftenissen17 bevestigd is. 7Want als dat eerste18 verbond onberispelijk geweest was, zo zou voor het tweede geen plaats gezocht zijn geweest. 8Want1920 hen berispende, zegt Hij tot hen:g Ziet,21 de dagen komen, spreekt de Heere, en Ik zal22 over het huis van Israël, en over het huis van Juda een nieuw23 verbond24 oprichten; 9Niet naar het verbond, dat Ik25 met hun vaderen gemaakt heb, op de dag als Ik hen bij de hand nam, om hen uit Egypteland te leiden; want zij zijn in dit Mijn verbond niet gebleven, en Ik heb26 op hen niet geacht, zegt de Heere. 10Want dit is het verbond, dat Ik met het huis van Israël27 maken zal na die dagen, zegt de Heere:h Ik zal Mijn wetten28 in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven;i en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. 11En zij zullen niet leren, ieder zijn naaste, en ieder zijn broeder, zeggende: Ken de Heere; want zij zullen Mij allen kennen van de kleine onder hen tot de grote onder hen. 12Want Ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn, en hun zonden en hun overtredingen zal Ik31 in geen geval meer gedenken. 13Als Hij zegt: Een nieuw verbond, zo heeft Hij het eerste oud gemaakt; dat nu oud gemaakt is en verouderd, is nabij de verdwijning.