Handelingen 1
Boekinleiding
lees meer ▾
Zoals de vier Evangelisten in haar Evangeliën beschrijven de geboorte, het leven lijden, de dood, opstanding, en hemelvaart van de Heeren JEZUS CHRISTUS, alzo wordt in dit Boek voorders beschreven hoe...
Zoals de vier Evangelisten in haar Evangeliën beschrijven de geboorte, het leven lijden, de dood, opstanding, en hemelvaart van de Heeren JEZUS CHRISTUS, alzo wordt in dit Boek voorders beschreven hoe zijn Apostelen na de hemelvaart CHRISTUS de Evangelische Leer over al door de wereld hebben verbreid, en uit Joden en heidenen de Gemeente vergaderd: en bijzonderlijk wordt beschreven het gene twee de voornaamste Apostelen, Petrus en Paulus, tot die ein de gedaan hebben. Lucas dan na de voor-reden, beschrijft wanneer en hoe CHRISTUS ten Hemel is opgevaren: en dat Matthias door het lot in plaats van de verrader Iudas, die hem zelf verhangen had, verkoren is tot een Apostel. Hfst. 1. Daar na hoe de H. Geest in de gedaante van vyerige gedeelde tongen, met een sterken gedrevenen wind, gekomen is op de Apostelen, en dat zij met verscheidene talen spraken: 't welk sommige lasterden, zeggend dat ze vol waren van soeten wijn: waar tegen Petrus haar met grote vrymoedigheid verantwoort, en leert dat dit geschied was na de voorseggingen van de Profeten, en bewijst uit de Psalmen dat CHRISTUS van de doden moeste opstaan, en ten hemel opvaren: waardoor omtrent drie duizend zijn bekeert en gedoopt. Beschrijft ook de staat van de eerste kerk. hfst. 2. Dat Petrus en Johannes een lammen van moeders lijve, sittende aan de poorte van de Tempels, genesen hebben: waarover als het volk haar verwondert, Petrus haar heeft onderricht, dat sulcx door de kracht CHRISTUS geschiedt was, die zij hadden vermoort: en haar vermaand om haar te bekeeren, en in hem te gelooven. hfst. 3. Dat de Priesters en Sadduceeën Petrum en Ioannem daarover hebben gevangen genomen, en gesteld voor de Raad, voor welke Petrus haar daat heeft verantwoort, die zich verwonderden, en haar belasteden in de Name CHRISTUS niet meer te prediken, 't welk zij weigeren te doen: dat de Gemeente voor haar bidt, wier eenigheid en liefde onder elkaar beschreven wordt, zo dat zij tot onderhoudt van de armen ook haar huisen en landen verkochten. hfst. 4. 'T welk ook Ananias en Sapphira, zijn Huis-vrouwe, geveinsdelijk doende, en een deel van het gelt achterhoudende, van Petro met een haastige dood daarover gestraft worden: dat door de Apostelen vele wonder-werken, voornaamlijk in 't genesen van de sieken, gedaan wierden: waarover de Hogepriester en de Sadduceeën haar geworpen hebben in de gevangenis, waaruit zij van een Engel verlost worden, en prediken in de tempel: 't welk de Hoogen-priester geboodschapt zijnde, hij de zelf in de Raad laat halen, en bestraft hebbende, naamn zij Raad om haar te doden, maar wierd haar zulks ontraden van Gamaliël, en zij worden met geesselen los gelaten, en met verbod van niet meer te prediken, 't welk zij niet na en komen. hfst. 5. Dat tot ontlasting van de Apostelen, alzo de Griekse klaaghden, ses Diakenen zijn verkoren, om de tafelen en de armen te bedienen, onder welke Stephanus een was, de welke alzo hij grote wonder-werken dede, en die tegen hem disputeerden hem niet en konden tegenstaan, beschuldicht wordt voor de Raad met valse getuigen dat hij godtlasterlijk sprak tegen de wet. hfst. 6. Dat Stephanus hem zelf voor de Raad heeft verantwoort, verhalende kortelijk de historien van de Ouden Testaments van Abraham af tot Salomon toe, en haar bestraffende over haar hartnekkigheid: waarom zij hem ter dood steenigen. hfdst.7. Dat tegen de Gemeente van Jeruzalem een grote vervolging verwekt wiert, waarom vele vluchten na Samarien, alwaar Filippus het Evangelie predikt, en vele mirakelen doet, daardoor vele bekeert en gedoopt werden: waarom de Apostelen daarheen zenden Petrum, en Ioannem, die haar de H. Geest geven: dat Simon de Toovenaar aldaar ook gedoopt is, en de gaven van de H. Geest met gelt zoekt te koopen van Petro, die zulks weigert, en zijn geveinsdheid openbaart en bestraft: Dat de Camerlink van de Coninginne Candaces van Ethyopien van Filippo bekeert en gedoopt wordt. hfst. 8. Dat Saulus de Gemeente vervolcht: en op de wegh na Damascum door een gezichte bekeert wordt, en drie dagen met blindtheid wordt geslagen, door Ananias gedoopt, en tot een Apostel van CHRISTUS geroepen wordt: te Damascus het Evangelie predikt, waar hem van de Joden lagen gelecht worden om hem te doden, die hij ontkomt, in een mande van de mueren van de stad af-gelaten zijnde: dat de kerken in Iudeen, Galileen, en Samarien in een goeden stant waren en zeer toenaamn: dat Petrus een Eneam tot Lydda van de geraaktheid genesen heeft, en tot Ioppe een Tabitha van de doden opgewekt. hfst. 9. Dat Petrus ontboden wordt van een hooftman Cornelius genaamd, en als hij twijfelde of hij tot een heidensch man mochte komen, dat hij door een Godtlijk gezichte uit de hemel is onderwezen en versterkt: hoe hij van hem is ontvangen, en hem met zijn vrienden door een treflijke Prediking tot CHRISTVM bekeert heeft. hfst. 10. 'T welk als sommige qualijk naamn, dat Petrus de gehele zaak verhaalt heeft, en daar mede haar gestilt: dat door de verstrooide tot Fenicië, Cypren, en Antiochien toe, de Gemeente uitgebreidet wiert, en Barnabas na Antiochien gezonden wordt om de geloovige te versterken, alwaar Agabus voorsecht de dieren tijd, die daarna onder de Keizer Claudius geweest is: waarom zij besluiten een handreiking te zenden aan de geloovige arme in Iudeen, door Paulum en Barnabam, die 't zelf verricht hebbende, daarna wederkeeren tot Antiochien, alwaar de geloovige eerst Christenen genaamd worden. hfst. 11. Dat Herodes Agrippa, Jakobum de broeder Ioannis heeft onthalst, en Petrum in de gevangenis geworpen om hem ook te laten doden, waaruit hij door een Engel van de Heeren verlost zijnde bij de geloovige komt, vergaderd ten huis van de moeder van Johannes Marcus: dat Herodes de soldaten die Petrum bewaarden liet ombrengen: dat Herodes te Cesareen, als hij met grote pracht tot het volk sprak, en van 't zelf als een God gehouden wierd, van een Engel geslagen is, dat hij van de wormen gegeten wierd en stierf. hfst. 12. Dat de H. Geest belast Paulum en Barnabam te zenden tot de heidenen, en dat zij, na oplegging van de handen, gereisd zijn na Cypren, waar zij in de Synagogen van de Joden prediken, en Paulus ernstelijk bestraft, en met blindtheid slaat, een toovenaar Elymas, die bij de stad-houder Sergius Paulus was, welke tot het geloof bekeert wordt: dat Paulus tot Antiochien in Pisidien in de Synagoge van de Joden een treffelijke Prediking heeft gedaan, vervattende de somme van de Christelijke Leer, waardoor vele heidenen bekeert wierden, maar de Joden enige vrouwen opmakende wierpen haar uit haar landtpalen. hfst. 13. Dat Paulus en Barnabas een tijd lang te Iconien hebben gepredikt, en als daarover een scheuring in de stad ontstond, en men haar socht leet te doen, dat zij gevlucht zijn na Lystren, alwaar Paulus een lammen geneest: waarom die van Lystren haar als Goden offerande willen opofferen, 't welk zij verhin deren: en daarna opgehitst zijnde, Paulum steenigen, die weer bekomen zijnde met Barnaba trekt na Derben, en daarna weer komt tot Lystren, Iconien, en Antiochien, waar zij verhalen wat God door haar gedaan had. c.14. En alzo aldaar enige uit Iudeen gekomen zijnde leerden, dat de Wet van de Ceremonien noch moest onderhouden worden, en daarover grote twist ontstont, dat goet-gevonden wierd deze zaak te stellen in 't oordeel van de Apostelen en Ouderlingen te Ierusalen: zo dat Paulus en Barnabas met enige andere daarheen gezonden wierden, en dat zij haar last bekent gemaakt hebbende, daarover een Synode van de Apostelen en Ouderlingen is vergaderd, in welke na dat Petrus, Paulus, en Barnabas haar verklaringen gedaan hadden, heeft Jakobus zijn mening voor-gesteld, welke van alle de andere toe-gestemt zijnde, goet-gevonden is het besluit van deze Synode met een brief te zenden na Antochien en andere kerken, door Paulum, Barnabam, Iudam, en Silam: en als Paulus en Barnabas de Gemeenten wilden gaan besoeken, dat tusschen haar beiden een verbittering ontstont om Ioannis Marci wille, zo dat zij van elkaar scheidden, en Paulus na Syrië en Cilicien reisde. hfst. 15. Dat Paulus Timotheum om van de Joden wille heeft laten besnijden: en met hem van Derben en Lystren de steden aldaar door-reisde, en dat de kerken dagelijcx toenaamn: dat zij door Mysien reisden na Troas, waar Paulus door een gezichte vermaand wordt na Macedonië te trekken, en tot Filippi is gekomen, waar hij Lydiam de Purper-verkoopster bekeert, die met haar Huis-gesin gedoopt wordt: dat hij aldaar een waarseggenden geest uit-drijft uit een dienstmaacht, wier heeren daarom 't volk tegen haar hebben opgemaakt, 't welk haar doet geesselen en in de gevangenis werpen, die als zij baden en lofzangen songen, door een aard-beving geopent wordt, waardoor de Cippier bekeert, en met zijn Huis-gesin gedoopt wordt: dat de Overste van de stad haar belasten dat ze uit de stad sullen gaan, 't welk Paulus niet en wilde doen, of zij zelf zouden haar uit de gevangenis komen halen, 't welk geschied is. hfst. 16. Dat zij van daar vertrokken zijn na Thessalonica, alwaar zij prediken, en sommige bekeeren: maar de Joden verwekken het volk tegen haar, en trekken Iason voor de Overheid: waarom zij van daar vertrekken na Bereen, daar zij ook prediken, en die van Bereen ondersoeken de Schriften, of haar predicatien daar mede over een kwamen. Dat Paulus van daar gereisd is na Athenen, daar hij voor de Raad gebracht zijnde met de Filosofen disputeert, en tegen haar bewijst datter maar een waarachtig God is, die ons alle geschapen heeft, en die hij predikte: en datter een Algemeen oordeel en een opstanding van de doden zijn zal: waar mede zij gespot hebben: maar enige geloofden, onder welke waren Dionysius Areopagita en Damaris. hfst. 17. Dat Paulus van daar tot Korinthe is gekomen, waar hij Aquilam en Priscillam vind, bij welk hij t' Huis gegaan is, en in de Synagoge predikt: waar tegen haar de Joden stelden, en hem trokken voor de Rechter-stoel van de stad-houder Gallio, die over de disputen van de Religie niet oordelen en wil: dat hij van daar vertrokken is na Syrië, na dat hij zijn hoofd tot Cenchreen had laten bescheeren, tot Ephesen komt, en van daar vertrekt door Cesareen na Jeruzalem, en verder na Antiochien, en daar een kleinen tijd geweest zijnde, na Galatië en Phrygien: dat een Apollos te Ephesen de Joden krachtelijk heeft overtuicht dat IESUS de CHRISTUS was. hfst. 18. Dat Paulus ook tot Ephesen gekomen is, en aldaar vin dende enige discipelen, die de gaven van de Heiligen Geest noch niet en hadden ontvangen, ook daarvan niet en wisten, door oplegging van de handen de zelf haar heeft gegeven: dat hij aldaar in de Schole van Tyrannus twee jaren geleert heeft, en vele kranke genesen: dat hij een onreinen geest uit-werpt, die enige duivel-besweerders quetst en de kleederen af-scheurt: dat vele haar tooverse boeken, die veel weerdig waren, verbrandden: dat Paulus voorneemt na Jeruzalem te reizen: dat te Ephesen tegen hem een grote oploop verwekt wordt van een Demetrius en andere silver-smeden, omdat door zijn Leer haar gewin vermin derde, dat zij hadden van 't maken van kleine silvere af-beeldingen van de Tempels van Diana: welke oploop door de Stadts-schrijver gestilt wordt. hfst. 19. Dat Paulus met eenich geselschap door Macedonië gereisd is na Troas, en als hij aldaar voor zijn vertrek een lange Prediking dede, dat een jongelink, Eutychus genaamd, uit de venster dood viel, en van Paulus werd opgewekt: dat hij over Asson, Mitylenen, Samus, en Trogillium gekomen is te Mileten, waar hij bij hem ontboden heeft de Ouderlingen en Opsienders van de Gemeente van Ephesen, van welke hij zijn af-scheid neemt, haar ernstelijk vermanende op de Gemeente goede acht te nemen, alzo na zijn vertrek vele valse Leraren zouden opstaan. hfst. 20. Dat hij van daar gereisd is over Coüs, Rhodus, en Patara, na Tyrus in Fenicië, en van daarna Ptolomais, en verder na Cesareen, alwaar in het Huis van Filippus, de Profeet Agabus Paulus voorsecht dat hij te Jeruzalem zou gevangen en gebonden worden: waar om de geloovige hem baden, dat hij niet en zou optrekken na Jeruzalem: 't welk Paulus af-slaat, en voort reist na Jeruzalem: alwaar hij gekomen zijnde ten huis van Jakobus, in aanwezigheid van de Ouderlingen, verhaalt wat God door hem onder de heidenen gedaan had: dat Jakobus hem Raad, dat hij om van de zwakke Joden wille zijn hoofd zou laten bescheeren, 't welk hij doet: dat enige Joden uit Azië de gehele stad in oproer tegen hem verwekten, en hem meenden te doden, ten ware de Overste hem haar ontweldicht, en in de leger-plaats gebracht had, die hem ondervraacht hebbende, hem toelaat voor de volk zijn verantwoording te doen. hfst. 21. in welke hij verhaalt zijn geheel leven en doen, en voornaamlijk zijn bekering, en Roeping om de heidenen het Evangelie te prediken. Waar op de Joden te meer riepen en tierden, zo dat de Overste hem wilde laten geesselen, maar van Paulus verstaande, dat hij een burger van Rome was, liet hij daarvan af, en liet de gantschen Raad van de Joden in de leger-plaats komen, om hem te horen. hfst. 22. Voor welke Paulus zijn verantwoording aanvangende, uit bevel van de Hoogen-priesters Ananie, in 't aangezichte geslagen wordt: waarover Paulus hem scherpelijk bestraft: en verklaart dat hij om het geloof van de opstanding van de doden te rechte gesteld was: waaruit een grote twist en geroep ontstaan is tusschen de Rechters, omdat sommige Farizeeën en sommige Sadduceeën waren: dat meer als 40 Joden haar met eede verbonden, niet te sullen eten noch drinken voor dat zij Paulum zouden gedoodt hebben: 't welk door Paulus susters zoon aan hem, en aan de Oversten, ontdekt is: dat de Overste Claudius Lysias hem met een convoy van de nachts gezonden heeft na Cesareen, met een brief aan de stad-houder Felix, die hem in het Richt-Huis van Herodes gevangen set, tot dat zijn beschuldigers zouden gekomen zijn. hfst. 25. Dat Ananias en de Ouderlingen te Cesareen gekomen zijn om hem te beschuldigen, 't welk gedaan is door de voorspraak Tertullus, die hem beschuldicht van oproer en ontheiliging van de Tempels: dat Paulus Beide deze stukken heeft ontkent, verhalende watter geschied was, en waarom hij te Jeruzalem gekomen was: dat Felix de zaak uit-gesteld heeft tot de komste van Lysias, hem meerder vryheid in de gevangenis gevende, en dat hij hem dikwijls bij hem en zijn Huis-vrouwe ontboden heeft, om hem te horen: dat hij alzo gevangen is gehouden tot dat Festus in zijn plaats gekomen is. hfst. 24. Dat de Joden, als Festus te Jeruzalem gekomen was, hem baden dat Paulus te Jeruzalem zou mogen te rechte gesteld worden, 't welk hij weigert, en haar belast hem te Cesareen voor hem te beschuldigen: Dat zij 't zelf doen, en Paulus hem verantwoort: en als Festus hem na Jeruzalem wilde zenden, dat hij hem beroept op de Keizer. Dat de Koning Agrippa en Bernice hem begeeren te horen, voor de welke hij gesteld wordt. hfst. 25. En hemzelfn verantwoort tegen de beschuldingen van zijn wederpartyen, verhalende hoe dat hij eerst de Gemeente heeft vervolcht, en hoe hij wonderbaarlijk is bekeert tot CHRISTVM, en daarover beschuldicht wordt: waarover Festus hem bespot, en Agrippa verklaart datmen hem mochte los laten, indien hij hem op de Keizer niet en had beroepen. hfst. 26. Dat Paulus gelevert wordt met enige andere gevangenen aan de Hoofd-man Iulius, om na Rome gevoert te worden: dat zij tot die ein de gaan in een schip van Adramyttien, en varen na Sidon, van daarvoor bij Cypren tot Myra, en overgaande in een schip van Alexandrien voor bij Cnidus en Creta, tot Schoone haven, daar Paulus Raad te verwinteren, maar de Hoofd-man volcht de Raad van de stiermans, en vaart voort, voor bij Creta tot Clauda, en daar ontstaat een groot tempeest, zo dat zij het goet over boort moeten werpen: dat God door een Engel Paulus openbaart, dat niemand vergaan en zou, maar dat zij op een eiland zouden vervallen: waarom Paulus haar vermaand goets moets zijn: dat zij vier ankers voor uit werpen, en dat de schippers met de boot meenden te ontvlieden, 't welk Paulus verhin dert: dat zij het coren over boort werpen, en na dat zij wat gegeten hadden, dat zij bij land kwamen, daar zij het schip op setteden: dat de soldaten de gevangene wilden doden, 't welk de Hoofd-man verhin dert: en dat zij alzo schip-breuke lijdende aan Land zwemmen. hfst. 27. Dat dit Land het eiland Melite was, en dat zij van de inwoonders vriendlijk ontvangen wierden: dat een adder aan de hand Paulus blijft hangen, die hij zonder letsel af-schuddet: dat Paulus de vader van Publius van de kort ze en roode-loop geneest, en andere sieken opdat eiland: dat zij na drie maanden van daar voort varen na Italien, over Syracusen, Rhegium, Puteolen en Appij merkt, en tot Rome komen: waar Paulus aan de Oversten van de legers wordt overgelevert, en van een soldaat bewaard: dat Paulus de Joden aldaar verklaart, waarom hij gevangen na Rome gezonden was: en dat hij met haar van de religie gehandelt heeft, en haar bewezen dat IESUS de CHRISTUS was, 't welk sommige geloofden, en andere niet: dat Paulus aldaar in een gehuert Huis twee jaren is gebleven, vryelijk het Evangelie predikende. hfst. 28.