Haggai 1

Boekinleiding lees meer ▾ HAggai, Zacharia, en Malachia, hebben alle drie geleeft en geprofeetert ten tijde van de verlossing van de Joden uit de Babylonische gevangenis: Zij vermanen het volk zeer ijverig tot de weer-opbouwin...
HAggai, Zacharia, en Malachia, hebben alle drie geleeft en geprofeetert ten tijde van de verlossing van de Joden uit de Babylonische gevangenis: Zij vermanen het volk zeer ijverig tot de weer-opbouwing van de Tempels, en van de stad Jeruzalem: want na dat zij de fondamenten van de Tempels geleid hadden, zo wendde zich vast een ieder tot de opbouwing van zijn eigen Huis, en lieten de timmering van de Tempels een tijd lang berusten, ondertussen zijnder verscheidene verhin dernissen voor-gevallen, die de voortgank van de bouw van de tempels te rugge gehouden hebbe, als te lezen is, Ezr. 4:1, etc. en hfst. 6. vers. 1, 3, etc. maar de vermaningen van de Profeten hebben ten slotte zo veel vermocht, dat de Joden het gebouw van de Tempels, ('t welk na het leggen van de fondaments, omtrent XLII jaren, na sommiger rekening, had stille gelegen) in vier jaren hebben volbouwt. ziet Ezr. 6. vers. 14, 15, etc. Joh. 2:20. De voornaamste Argumenten, of beweegh-redenen, welke de Profeet Haggai gebruikt heeft om het volk tot de versloften bouw van de Tempels op te wekken, zijn in het bijzonder deze: voor eerst, dat het billijk is, dat Goddelijke zaken voor aardse en tijdelijke bevordert worden, 't welk zo het niet en geschiedde, zo en zou ook God zijn zegen tot de tijdelijke niet geven: Ten anderen, zo verklaart de Profeet dat de voortreffelikheid van de tweeden Tempels veel grooter zou zijn, dan van de eerste, naamlijk daarom, omdat CHRISTUS lichamelijk in de zelf verschijnen en prediken zou: En verder in zijn Kerk woonen zou met zijn genade en Geest. Hier komt de derde voortdrijvende spoore bij, Dat God zijn zeghen tot dit werk gevende, het zelf lichtelijk zou te volvoeren wezen. Twee maanden na Haggai, heeft ook de Profeet Zacharja begonnen te profeteren, die ook de trage nalatige Joden tot de bouw van de Tempels wel eernstlijk vermaand en voort-gedreven heeft.
11 In het tweede jaar van de koning Darius, in de zesde2 maand, op de eerste dag van de maand, geschiedde het woord van JAHWEH,3 door de dienst van Haggai, de profeet, tot Zerubbabel, de4 zoon van5 Sealthiël, de vorst van Juda, en tot Josua, de zoon van Jozadak,6 de hogepriester, zeggende: 2Zo spreekt JAHWEH van de legermachten zeggende: Dit volk zegt: De tijd is niet gekomen, de tijd, dat het huis van JAHWEH gebouwd wordt. 3En het woord van JAHWEH geschiedde door de dienst van de profeet Haggai, zeggende: 4Is het voor u wel de tijd, dat u woont in uw10 gewelfde huizen, en zal dit huis11 woest zijn? 5Nu dan, zo zegt JAHWEH van de legermachten: Stel uw hart op uw wegen. 6a U zaait veel, en u brengt weinig in; u eet, maar niet tot verzadiging; u drinkt, maar13 niet tot dronken worden toe; u kleedt u, maar niet14 tot uw verwarming, en wie loon ontvangt, die ontvangt dat loon15 in een doorgeboorde beurs. 7Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Stel uw hart op uw wegen. 8Klimt op het gebergte, en brengt hout aan, en bouwt dit huis, en Ik zal een welgevallen17 daaraan hebben, en verheerlijkt worden, zegt JAHWEH. 9U18 ziet om naar veel, maar ziet,19 u bekomt weinig; en als u het in huis gebracht hebt,20 zo blaas Ik daarin. Waarom dat? spreekt JAHWEH van de legermachten; vanwege Mijn huis, dat woest is, en dat u loopt elk21 voor zijn eigen huis. 10Daaromb onthouden zich de hemelen over u,22 dat er geen dauw is, en het land onthoudt zijn vruchten. 11Want Ik heb23 een droogte geroepen over het land, en over de bergen, en over het koren, en over de most, en over de olie, en over wat de aardbodem zou voortbrengen; ook over de mensen, en over de beesten, en24 over alle arbeid van de handen. 1225 Toen hoorde Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, en26 al het overblijfsel van het volk, naar de stem van JAHWEH, hun God,27 en naar de woorden van de profeet Haggai,28 zoals hem JAHWEH, hun God, gezonden had; en het volk vreesde voor het aangezicht van JAHWEH. 13Toen sprak Haggai, de bode van JAHWEH, in de boodschap van JAHWEH, tot het volk, zeggende: Ik ben met u, spreekt JAHWEH. 14En32 JAHWEH verwekte de geest van Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, de vorst van Juda, en de geest van Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, en de geest van het hele overblijfsel van het volk; en zij kwamen en maakten het werk in het huis van JAHWEH van de legermachten, hun God.