Filippenzen 4

11 Zo dan, mijn geliefde en2 zeer gewenste broeders,3 mijn blijdschap4a en kroon,5 staat6 zo7 in de Heere, geliefden! 2Ik vermaan8 Euodia en ik vermaan Syntyche, dat zij9 eensgezind zijn10 in de Heere. 3En ik bid u11 ook, oprechte12 medestrijder, help13 deze14 vrouwen, die samen met mij15 gestreden hebben voor het evangelie,16 ook met Clemens en mijn overige17 medearbeiders,18 wier namen19b zijn20 in het boek van het leven. 421c Verblijdt u in de Heere22 altijd; opnieuw zeg ik: Verblijdt u. 5Uw23 bescheidenheid zij allen mensen bekend.24d De Heere is nabij. 6e Weest in geen ding25 bezorgd; maar laat26 uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging27 bekend worden bij God; 7f En28 de vrede van God,29 die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw30 zinnen31 bewaren in Christus Jezus. 8Verder, broeders, al wat waarachtig is,32g al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat33h rein is, al wat34 liefelijk is, al wat35 wel luidt, zo er enige deugd is, en zo er enige lof is, bedenkt36 het; 937 Wat u ook geleerd, en ontvangen, en gehoord, en in mij gezien hebt, doet dat; en38 de God van de39 vrede zal met u zijn. 10En ik ben enorm verblijd geweest40 in de Heere, dat u nu eenmaal opnieuw41 wakker geworden benti om42 aan mij te gedenken; waaraan u ook43 gedacht hebt, maar u hebt44 de gelegenheid niet gehad. 11Niet dat ik dit45 zeg vanwege gebrek; want ik46k heb geleerd47 tevreden te zijn48 in wat ik ben. 12En49 ik weet50l vernederd te worden, ik weet ook51 overvloed te hebben; alleszins en in alles ben ik52 onderwezen, zowel verzadigd te zijn als honger te lijden, zowel overvloed te hebben als gebrek te lijden. 1353 Ik vermag54 alle dingen door Christus, die mij55 kracht geeft. 14Toch hebt u wel gedaan, dat u56 met mijn verdrukking57 gemeenschap gehad hebt. 15m En ook u, Filippensen, weet, dat58 in het begin van het Evangelie, toen ik van Macedonië vertrokken ben, geen Gemeente59 mij iets medegedeeld heeft60 tot rekening van uitgaven en ontvangst, dan u alleen. 16Want ook61 in Thessalonica hebt u mij eenmaal en andermaal gezonden, tot wat ik nodig had. 17Niet dat ik de gave62 zoek, maar ik zoek63 de vrucht, die overvloedig is64 tot uw rekening. 18Maar ik heb65 alles ontvangen, en66 ik heb overvloed; ik ben67 vervuld geworden, als ik van Epafroditus ontvangen heb, dat van u gezonden68 was, als een aangename geur, een aangename offergave, voor God welbehaaglijk. 19Maar69 mijn God zal70 naar Zijn rijkdom71 vervullen72 al uw nooddruft,73 in heerlijkheid,74 door Christus Jezus. 20Onze God nu75 en Vader zij de heerlijkheid76 in alle eeuwigheid. Amen. 21Groet alle heiligen in Christus Jezus; U groeten de broeders, die77 met mij zijn. 22Al de heiligen groeten u, en meest die78 van het huis van de keizer zijn. 2379 De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen.