Ezra 6

11 Toen gaf de koning Darius bevel; en zij zochten in de2 kanselarij, waar de3 schatten waren weggelegd, in4 Babel. 2En te5 Achmetha, in de burcht, die in het landschap Medië is, werd een6 rol gevonden; en daarin was zo geschreven:7 GEDACHTENIS; 3In het eerste jaar van de koning Kores, gaf de koning Kores dit bevel: Het huis van God te Jeruzalem, dat huis zal gebouwd worden,8 ter plaatse, waar zij offergaven offeren, en de fundamenten daarvan zullen zwaar zijn; zijn hoogte van zestig109 ellen, en zijn breedte van zestig ellen; 4Met drie rijen van11 grote steen, en een rij van nieuw hout; en de onkosten zullen uit het huis van de koning gegeven worden. 5Daartoe zal men ook de gouden en zilveren voorwerpen van het huis van God, die Nebukadnezar uit de tempel, die te Jeruzalem was, heeft weggevoerd, en naar Babel gebracht, wedergeven, dat zij gaan naar de tempel, die te Jeruzalem12 is, aan13 zijn plaats, en14 men zal ze afvoeren in het huis van God. 6Nu, u Thathnai, landvoogd aan de overzijde van15 de rivier, u Sthar-Boznai, met16 uw gezelschap, u Afarsechaïeten, die aan de overzijde van de rivier bent,17 wees verre van daar! 718 Laat hen aan de arbeid van dit huis van God; dat de landvoogd van de Joden en de oudsten van de Joden dit huis van God bouwen aan zijn plaats. 8Ook wordt van mij bevel gegeven, wat u doen zult aan de oudsten van deze Joden, om dit huis van God te bouwen; te weten, dat uit de goederen van de koning, van de belasting aan de overzijde van de rivier, de onkosten deze mannen spoedig gegeven worden, opdat men hen niet belette.19 9En wat20 nodig is, als21 jonge runderen, en rammen, en lammeren, tot brandofferen aan de God van de hemel, tarwe, zout, wijn en olie, naar het zeggen van de priesters, die te Jeruzalem zijn, dat het hun dag bij dag gegeven worde, dat er geen fout zij; 10Opdat zij offergaven van22 liefelijke reuk aan de God van de hemel offeren, en bidden voor het leven van de koning en van zijn kinderen. 11Verder wordt bevel van mij gegeven, dat al degene, die dit23 woord zal veranderen, een hout uit zijn huis zal gerukt en opgericht worden, waaraan hij zal worden24 opgehangen; en zijn huis zal om diens wille tot een25 drekhoop gemaakt worden. 12De God nu, die Zijn Naam daar heeft doen wonen, werpe ter neer alle koningen en volken, die hun hand zullen uitstrekken, om te veranderen en te verderven dit huis van God, dat te Jeruzalem is. Ik, Darius, heb het bevel gegeven, dat het spoedig gedaan worde. 13Toen deden Thathnai, de landvoogd aan de overzijde van de rivier, Sthar-Boznai, en hun gezelschap, spoedig zo, naar26 wat de koning Darius gezonden had. 14En de oudsten van de Joden bouwden en gingen voorspoedig voort, door de profetie van de profeet Haggai en Zacharia, de zoon van Iddo; en zij bouwden en voltrokken het, naar het bevel van de God van Israël, en naar het bevel van27 Kores, en28 Darius, en29 Arthahsasta, koning van Perzië. 15En dit huis werd volbracht op de derde dag van de30 maand Adar; dat was het zesde jaar van het koninkrijk van de koning Darius. 16En de kinderen van Israël, de priesters en Levieten, en de overige kinderen van de gevangenis deden de31 inwijding van dit huis van God met vreugde. 17En zij offerden, ter inwijding van dit huis van God, honderd runderen, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren en twaalf geitenbokken, ten zondoffer voor geheel Israël, naar het getal van de stammen van Israël. 18En zij stelden de priesters in hun32 onderscheidingen, en de Levieten in hun verdelingen, tot de dienst van God, Die te Jeruzalem is,33a naar het voorschrift van het boek van Mozes. 19Ook hielden de kinderen van de gevangenis hetb pascha, op de veertienden van34 de eerste maand. 20Want de priesters en de Levieten hadden zich gereinigd als één enig man; zij waren allen rein; en35 zij slachtten het pascha voor alle kinderen van de gevangenis, en voor hun broers, de priesters, en voor zichzelf. 21Zo36 aten de kinderen van Israël, die uit de gevangenis wedergekomen waren, en ook37 al wie zich van de onreinheid van de heidenen van het land tot hen afgezonderd had, om JAHWEH, de God van Israël, te38 zoeken. 22En zij hielden het feest van de ongezuurde broden zeven dagen, met blijdschap; want JAHWEH had hen verblijd, en het hart van de koning van39 Assur tot hen gewend, om hun40 handen te sterken in het werk van het huis van God, van de God van Israël.