Ezra 1
Boekinleiding
lees meer ▾
OM aan te wijsen het vervolch van de Historie van Gods Kerk, zo heeft het de Heiligen Geest belieft het voorgaande tweede boek van de Chronijken te eindigen met de zelf woorden, met de welke dit boek ...
OM aan te wijsen het vervolch van de Historie van Gods Kerk, zo heeft het de Heiligen Geest belieft het voorgaande tweede boek van de Chronijken te eindigen met de zelf woorden, met de welke dit boek begint, waarin de H. Geest door de Priester en Schrift-geleerde Ezra ons heeft doen beschrijven, hoe God zijn volk uit de tseventich-jarige Babylonische gevangenis, volgens zijn beloften, wonderbaarlijk verlost heeft door de Persischen Koning Cores, (gemeenlijk genaamd Cyrus) die, de Babylonische monarchie onder zich gebracht hebbende, door Gods in-geven, vryheid voor de Joden publiceert, om na haar Land weer te keeren, en de Tempel te bouwen, met allerlei gunstige bevordering daartoe dienende. waarop vele van de volk, wier Geest God verwekt heeft, onder ’t beleidt van de Vorst Zerubbabel, en de hoogen Priester Iesua, zijn opgetogen, en hebben van de Heeren altaar gebouwt, Gode geoffert, en het Loof-hutten-Feest gehouden, etc. Daar na ook de gront van de Tempels geleid, maar het gebouw voor die tijt niet konnen voltrekken, omdat haar omliggende vijanden, in het archlistich versoek, van tsamen met hen te bouwen en gemenen Gods-dienst te hebben, af-geslagen zijnde, door quade practijken te hove zo veel hebben te wege gebracht, dat het bouwen verhin dert is in de volgende jaren van de regering van Cores, Ahasueros, en Arthasastha (gemeenlijk genaamd Artaxerxes) tot in het tweede jaar van de Konings Darij, wanneer zij, door de Profeten, Haggai en Zacharja, opgewekt en versterkt zijnde, het bouwen van de Tempels hebben hervatt, en door een zeer gunstich en ernstich bevel van Darius, die van zijn Land-voogt hier van was verwittigt, eindelijk hebben voltrokken, de Tempel ingewijt, en haar Gods-dienst daarin gepleegt. Een tijt lang daarna, als de zaken onder Gods volk weer vervallen waren, is de Priester Ezra, door Gods sonderling beschikking, op zijn versoek, van de Koning Arthasastha, in ’t zevende jaar zijn Koning-rijks, met een goet aantal volks, na Jeruzalem gezonden, met zeer liberale vergunning van alle behoeften, en volkomen last om alles te herstellen en te ordineren na Gods wet, het welke Ezra met grote ijver en getrouwigheid heeft volbracht: Daarom ook dit boek (als mede omdat hij’t beschreven heeft) de naam van hem draagt. Aangaande de tijt-rekening, daarover is geen eenderlei gevoelen bij de geleerde, die haar werk daarvan gemaakt hebben, door die dat de Koningen en jaren van de Perzise monarchie niet op een wijse worden gerekent, en verscheiden gevoelen onder hen is over deze vier Koningen, die na Cores, of Cyrus, gevolgt zijn, naamlijk, Ahasueros, en d’eerste Arthasastha, onder wier regering het gebouw van de Tempels verhin dert is: daarna wie die Darius geweest zij, onder welke de Tempel is volbouwt, en verder welke de tweede Arthasastha zij, die Ezra gezonden heeft om alles te herstellen, en ook naderhant Nehemia, om de mueren, poorten en stad van Jeruzalem op te bouwen, waarvan te zijn plaats yets is aangetekend, opdat de verstandige leser verkiese ’t gene hem best dunkt. Dit blijft altoos zeker en vast, dat deze zaken alle geschied zijn onder de Perzise monarchie, die haar begin genomen heeft van deze Cores, of Cyrus, van wiens eerste jaar zijn regering te Babel, deze Historie begint, haar uitstrekkende tot in het zevende jaar van de Konings Arthasastha van de tweeden, en verder enige tijt daarna: Zoals de volgende Historie van Nehemia van het 20 jaar van de zelf Konings begint.