Ezechiël 19
11 Verder, hef u een weeklage op over de2 vorsten van Israël,
2En zeg: Wat was3 uw moeder? Een4 leeuwin,5 onder de leeuwen neerliggende; zij bracht haar6 welpen op in het midden van7 de jonge leeuwen.
3Zij trok nu8 één van haar welpen op; het werd een jonge leeuw, die leerde9 roof te roven,10 hij at mensen op.
4Dit hoorden11 de volken van hem, hij werd gegrepen12 in hun groeve;13 en zij brachten hem14 met haken naara Egypteland.
515 Zij nu ziende, dat zij in hope was geweest, maar haar16 verwachting verloren was, zo nam zij17 een ander van haar welpen, dat zij tot een jonge leeuw stelde.
6Deze wandelde steeds onder18 de leeuwen, werd een jonge leeuw, en leerde19 roof te roven, hij at mensen op.
720 Hij bekende zijn weduwen, en hij verwoestte hun steden; zodat het land en21 zijn volheid22 ontzet werd23 van de stem van zijn brulling.
8Toen begaven zich de24 volken tegen hem rondom uit de landschappen, en25 zij spreidden hun net over hem uit; in hun groeve werd hij gegrepen.
9En zij stelden hem in gesloten bewaring met26 haken, opdat zij hem brachten tot de koning van Babel;27 zij brachten28 hem in vestingen, opdat zijn stem niet meer gehoord werde op de bergen Israëls.
1029 Uw moeder was als een wijnstok30 in uw stilheid, geplant bij wateren; hij was vruchtbaar en vol ranken vanwege vele wateren.
11En31 hij had32 sterke roeden tot scepteren van de heersers, en de33 stam van34 elke roede werd hoog tussen de35 dichte takken; en36 hij37 werd gezien door zijn hoogte, met de38 menigte van zijn takken.
12Maar hij werd door39 woede uitgerukt, en ter aarde geworpen, en de40 oostenwind heeft zijn vrucht verdroogd; zijn41 sterke roeden zijn afgebroken en zijn verdroogd; het42 vuur heeft ze verteerd.
13En nu is hij geplant in43 een woestijn, in een dor en dorstig land.
14Daartoe is een vuur uitgegaan44 uit een roede van zijn ranken, dat zijn vrucht verteerd heeft; zodat aan hem geen sterke roede is45 tot een scepter, om te heersen. Dit is een weeklage, en is tot een weeklage geworden.