Exodus 19

11 In de derde2 maand, na het uittrekken van de kinderen van Israël uit Egypteland,3 op diezelfde dag kwamen zij in de4 woestijn Sinaï. 2Want zij trokken uit Rafidim, en kwamen in de woestijn Sinaï, en zij legerden zich in de woestijn. Israël legerde zich daar tegenover5 die berg. 3En Mozes klom op tot God. En JAHWEH riep tot hem van de berg, zeggende: Zo zult u tot het huis van Jakob spreken, en de kinderen van Israël verkondigen: 4b U hebt gezien, wat Ik de Egyptenaren gedaan heb;8 hoe Ik u op vleugelen van de adelaars gedragen, en u9 tot Mij gebracht heb. 5Nu dan, als u10 ijverig Mijn stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden,c zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want11d de hele aarde is Mijn; 6e En u zult Mij12 een priesterlijk koninkrijk, en een13 heilig volk zijn. Dit zijn de woorden, die u tot de kinderen van Israël spreken zult. 7En Mozes14 kwam en riep de oudsten van het volk, en stelde voor hun aangezichten al deze15 woorden, die JAHWEH hem geboden had. 8Toen antwoordde al het volk gelijkelijk, en zei: Al wat JAHWEH gesproken heeft, zullen wij doen! En Mozes bracht de woorden van het volk weer tot JAHWEH. 9En JAHWEH zei tegen Mozes: Zie, Ik zal tot u komen in een dichte wolk, zodat het volk het hoort wanneer Ik met u spreek, en dat zij ook voor altijd in u geloven. Want Mozes had JAHWEH de woorden van het volk bekendgemaakt. 10Ook zei JAHWEH tot Mozes: Ga tot het volk, en heilig hen heden en morgen, en dat zij hun kleren groeien, 11En bereid zijn tegen de derde dag; want20 op de derde dag zal JAHWEH voor de ogen van al het volk21 afkomen, op de berg Sinaï. 12En bepaal het volk rondom, zeggende: Pas op dat u niet de berg op klimt, en zijn einde aan te roeren; al wie de berg aanroert, zal zeker gedood worden. 13Geen hand zal hem aanroeren, maar25 hij26 zal zeker gestenigd, of zeker doorschoten worden; hetzij een beest, hetzij een man, hij zal niet leven.27 Als de ramshoorn28 langzaam gaat, zullen zij29 op de berg klimmen. 14Toen ging Mozes van de berg af tot het volk, en30 hij heiligde het volk; en zij wiesen hun kleren. 15En hij zei tot het volk: Weest gereed tegen de derde dag, en nadert niet tot de vrouw. 16En het gebeurde op de derde dag, toen het morgen was,i dat er op de berg donderen en bliksemen waren, en een zware wolk,32 en het geluid van een zeer sterke bazuin, zodat al het volk verschrikte, dat in het leger was. 17En Mozes leidde het volk uit het leger, voor God tegemoet;k en zij stonden33 aan het onderste van de berg. 18l En de hele berg Sinaï rookte, omdat JAHWEH daarop neerkwam in vuur; en zijn rook ging op, als de rook van een oven; en de hele berg beefde zeer. 19Toen het geluid van de bazuin gaande was en steeds sterker werd, sprak Mozes, en God antwoordde hem34 met een stem. 20Als JAHWEH neergekomen was op de berg Sinaï,35 op de spits van de berg, zo riep JAHWEH Mozes op de spits van de berg; en Mozes klom op. 21En JAHWEH zei tot Mozes: Ga af, betuig dit volk, dat zij niet doorbreken tot JAHWEH, om te zien, en velen van hen vallen. 22Daartoe zullen39 ook de priesters,40 die tot JAHWEH naderen, zich heiligen, dat JAHWEH niet tegen hen uitbreke. 23Toen zei Mozes tot JAHWEH: Het volk zal op de berg Sinaï niet kunnen klimmen, want U hebt ons betuigd, zeggende: Bepaal de berg, en heilig hem. 24JAHWEH dan zei tot hem: Ga heen, klim af, daarna zult u, en Aäron met u, opklimmen; maar dat de priesters en het volk niet doorbreken, om op te klimmen tot JAHWEH, dat Hij tegen hen niet uitbreke. 25Toen klom Mozes af tot het volk, en43 zei het hun aan.