Exodus 1
Boekinleiding
lees meer ▾
BIJ de Grieken wordt dit Boek Exodus genoemd, dat is, uittocht, of, uitgang: welke naam meest alle Overzetters van de Bijbels behouden en gebruiken, omdat het wel over een komt met het voornaamste dat...
BIJ de Grieken wordt dit Boek Exodus genoemd, dat is, uittocht, of, uitgang: welke naam meest alle Overzetters van de Bijbels behouden en gebruiken, omdat het wel over een komt met het voornaamste dat daarin verhandeld wordt: want na dat de Heilige Geest in de begin deze Boeks heeft verhaalt de grote aanwas van de kin deren Israëls in Egypte, en hoe Farao de zelf heeft gepoogt te onderdrukken: Zo beschrijft hij de geboorte, wonderbare redding, en opvoeding van Mozes, en hoe God hem, en zijn broer Aaron geroepen en gezonden heeft, om zijn volk Israël uit de diensthuis van Egypte uit te voeren, en te verlossen: ’T welke als Farao (verhardt zijnde, en blijvend) weigerde te verlaten, zo heeft God Egypteland met tien zware plagen geplaagd, en hij heeft daarna door Mozes zijn volk Israël met grote rijkdom, en door een verhevene hant, uit Egypte geleidt, na dat zij het Paas-lam gegeten hadden, haar leidende door de Roode Zee (in die Farao, als hij haar najaagde, met zijn geheel heir verdronken is) in de woestyne, in en door die hij haar gevoert heeft met een wolken-colomne en vyer-colomne; haar tot spijse gevende Manna, en Kwartels: En tot drank, water uit een Rotz-steen: Zij wierden in deze woestijne bevochten van de Amalekiten, die zij overwonnen en dempten. In deze woestijne komt Iethro tot Mozes, en geeft hem goede onderwysingen, die hij volgt. In deze woestijne heeft ook God door Mozes de volk van Israël, op de berch Sinaï, gegeven de tien Geboden, met zijn vinger in twee steenen Tafelen geschreven: en ook vele andere wetten, ordinantien, en instellingen: Ook heeft God Mozes bevolen te maken de Tabernakel, met de Arke, en ander heilig gereetschap en diensten daartoe behoorende. Voorder wordt in dit Boek verhaalt de afgoderij van de Israëlieten met het gulden Calf, om wier zonde wille God haar verdelgen woude, maar hij laat zich van Mozes verbidden: Die wenschte het aangezichte Gods te mogen zien. Daar na vernieuwt God zijn Verbond met de Israëlieten door Mozes, wiens aangezichte is klaar-schijnende geworden. Voorder verhaalt Mozes de giften en gaven, die ’t volk gebracht heeft tot het maken van de Tabernakels, welke meer dan genoeg daartoe waren. Na dat het boven-verhaalde, even na het bevel en patroon, welke God Mozes gegeven had, volmaakt was, zo is de Tabernakel opgericht, gesalft, en met de heerlikheid Gods vervult geworden.
1Dit nu zijn de namen van de zonen vana Israël, die in Egypte gekomen zijn, met Jakob;1 zij kwamen er in, elk met zijn2 huis.
2Ruben, Simeon, Levi, en Juda;
3Issaschar, Zebulon, en3 Benjamin;
4Dan en Nafthali, Gad en Aser.
54b Al de zielen nu, die5 uit Jakobs heup voortgekomen zijn, waren6 zeventig zielen; maar7 Jozef was in Egypte.
6c Toen nu Jozef gestorven was, en al zijn broers,8 en al dat geslacht,
7Zo werden de kinderen van Israël vruchtbaard en groeiden overvloedig, en zij vermeerderden, en werden9 geheel zeer machtig, zodat het land met hen vervuld werd.
8e Daarna stond een nieuwe koning op over Egypte, die Jozef niet gekend had;
9Die zei tot zijn volk: Ziet, het volk van de kinderen van Israël is veel, ja, machtiger dan wij.
10f Komt aan, laat ons10 verstandig tegen hen handelen, opdat het niet vermenigvuldige, en het geschiede, als er enige strijd voorvalt, dat het zich ook niet vervoege tot onze11 vijanden, en tegen ons strijde, en uit het land optrekke.
11En zij zetten12 oversten van de belastingen over hetzelfde, om het te verdrukken13 met hun lasten; want14 men bouwde voor15 Farao schatsteden, Pitom en16 Raamses.
12Maar17g hoe meer zij het verdrukten, hoe meer het vermeerderde, en hoe meer het groeide; zodat zij verdrietig waren vanwege de kinderen van Israël.
13En de Egyptenaars deden de kinderen van Israël dienen18 met hardheid;
14Zodat zij hun het leven bitter maakten met harde dienst, in leem en in tichelstenen, en met alle dienst op het veld, met al hun dienst,19 die zij hen deden dienen met hardheid.
15Daarenboven sprak de koning van Egypte20 tot de vroedvrouwen van de Hebreïnnen, wier ene naam Sifra was21, en de naam van de andere Pua was;
16En zei: Wanneer u de Hebreïnnen in het baren helpt, en ziet haar op de stoelen; is het een zoon, zo doodt hem; maar is het een dochter, zo laat haar leven!
17Maar de vroedvrouwen vreesden God, en deden niet, zoals de koning van Egypte tot haar gesproken had, maar zij behielden de knechtjes in het leven.
18Toen riep de koning van Egypte de vroedvrouwen, en zei tot haar: Waarom hebt u deze zaak gedaan, dat u de knechtjes in het leven behouden hebt?
19En de vroedvrouwen zeiden tot Farao: Omdat de Hebreïnnen niet zijn zoals de Egyptische vrouwen; want zij zijn23 sterk; voordat de verloskundige tot haar komt, zo hebben zij gebaard.
20Daarom deed God aan de vroedvrouwen24 goed; en dat volk vermeerderde, en het werd zeer machtig.
21En het gebeurde, omdat de vroedvrouwen God vreesden, zo25 bouwde Hij haar huizen.
22Toen gebood Farao aan al zijn volk, zeggende: Alle zonen, die geboren worden, zult u in de rivier werpen, maar al de dochters in het leven behouden.