Esther 8
11 Op dezelfde dag gaf de koning Ahasveros aan de koningin Esther2 het huis van Haman, de vijand van de Joden; en Mordechai3 kwam voor het aangezicht van de koning, want Esther4 had te kennen gegeven,5 wat hij voor haar was.
2En de koning trok zijn ring af,6 die hij van Haman genomen had, en7 gaf hem aan Mordechai; en Esther stelde Mordechai over het huis van Haman.
3En Esther8 sprak verder voor het aangezicht van de koning, en zij viel9 voor zijn voeten, en zij huilde, en zij smeekte hem, dat hij10 de boosheid van Haman, de Agagiet, en zijn gedachte, die hij tegen de Joden gedacht had, zou wegnemen.
4De koning nu11 reikte de gouden scepter Esther toe. Toen rees Esther op, en zij stond voor het aangezicht van de koning.
5En zij zei: Als het de koning goeddunkt, en als ik genade voor zijn aangezicht gevonden heb, en deze zaak voor de koning recht is, en ik in zijn ogen aangenaam ben, dat er geschreven worde, dat de brieven en de gedachte van Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, herroepen worden, die hij geschreven heeft, om de Joden om te brengen, die in al de landschappen van de koning zijn.
6Want17 hoe zal ik vermogen, dat ik aanzie het kwaad, dat mijn volk18 treffen zal? En hoe zal ik vermogen, dat ik aanzie het verderf van mijn geslacht?
7Toen zei de koning Ahasveros tot de koningin Esther en tot Mordechai, de Jood: Ziet, het huis van Haman heb ik Esther gegeven, en hem heeft men aan de galg gehangen, omdat hij zijn hand aan de Joden geslagen had.
822 Schrijft dan u voor de Joden, zoals het goed is in uw ogen,23 in de naam van de koning, en verzegelt het24 met de ring van de koning;25 want het schrift, dat in de naam van de koning geschreven, en met de ring van de koning verzegeld is,26 is niet te herroepen.
9Toen werden de schrijvers van de koning geroepen, ter zelfder tijd, in de derde maand (zij is27 de maand Sivan), op de drie en twintigste daarvan, en er werd geschreven naar alles, wat Mordechai gebood, aan de Joden, en aan de28 stadhouders, en landvoogden, en oversten van de landschappen, die29 van Indië af tot aan Morenland strekken, honderd zeven en twintig landschappen,30 een ieder landschap naar zijn schrift, een ieder volk naar zijn spraak; ook aan de Joden naar hun schrift31 en naar hun spraak.
10En men schreef in de naam van de koning Ahasveros, en men verzegelde het met de ring van de koning; en men zond de brieven door de hand van32 de lopers te paard, rijdende33 op snelle kamelen,34 op muildieren, van merriën geteeld;
11Dat de koning de Joden35 toeliet, die36 in elke stad waren, zich te verzamelen, en37 voor hun leven te staan, om te vernietigen, om te doden en om om te brengen alle macht van het volk en van het landschap, die hen38 benauwen zou, de kleine kinderen en de vrouwen, en39 hun buit te roven;
1240 Op één dag in al de landschappen van de koning Ahasveros, op de dertiende van de twaalfde maand; deze is41 de maand Adar.
1342 De inhoud van dit geschrift was: dat een wet zou gegeven worden in alle landschappen, openbaar aan alle volken; en dat de Joden43 gereed zouden zijn tegen die dag, om zich te wreken aan hun vijanden.
1444 De lopers, die op snelle kamelen reden en op muildieren, trokken snel uit, aangedreven zijnde door het woord van de koning. Deze wet nu45 werd gegeven op de burg Susan.
15En Mordechai ging uit van voor het aangezicht van de koning in een hemelsblauw en wit koninklijk46 kleed, en met een grote gouden kroon, en met een opperkleed van fijn linnen en purper; en47 de stad Susan juichte en was vrolijk.
16Bij de Joden was48 licht, en blijdschap, en vreugde, en eer;
17Ook49 in alle en een ieder landschap, en in alle en een iedere stad, ter plaatse, waar het woord van de koning en zijn wet aankwam, daar was bij de Joden blijdschap en vreugde, maaltijden en50 vrolijke dagen; en velen51 uit de volken van het52 land werden Joden, want53 de vrees voor de Joden was op hen gevallen.