Esther 1
Boekinleiding
lees meer ▾
DIT Boek wordt genoemd het Boek Esther, omdat in het zelf principalijk van haar gesproken wordt, naamlijk hoe dat de machtige Koning Ahasveros in een grimmigen toorn zijn huisvrouwe Vasthi (omdat zij ...
DIT Boek wordt genoemd het Boek Esther, omdat in het zelf principalijk van haar gesproken wordt, naamlijk hoe dat de machtige Koning Ahasveros in een grimmigen toorn zijn huisvrouwe Vasthi (omdat zij op zijn bevel niet en woude verschijnen voor alle de Vorsten en machtige Heeren van de Persen en van de Meden) verstooten hebbende, Esther in haare plaats, uit een groot getal van schoone Jonkvrouwen te Susan t’samen gebracht, heeft uitverkoren tot zijn huisvrouwe, en tot de Koninklijke waardigheid verheven, doende haar ter eere een grote en treffelijke bruiloft. Geduerende dit houwelijk Esthers met Ahasveros, heeft de hoog-verhevene en hoovaardige Haman (principalijk uit haat tegen Mordechai, die hem niet en woude aanbidden, Zoals alle de Grote aan het Hof van de Konings deden) voorgenomen niet alleen Mordechai, maar ook alle de Joden, die in de hondert en xxvij Provincien van Ahasveros waren, op een dach te doen vermoorden, daartoe hij van de Konings consent al verworven had. Maar doe alle de Joden, ja de Coninginne Esther zelfs, met haar Staat-jonkvrouwen haar met vasten en bidden tot God de JAHWEH wendden, zo heeft God de JAHWEH haar roepen en bidden genadig verhoort, en hij heeft de boosen aanslach, en ’t bloedich voornemen Hamans niet alleen verhin dert, maar alzo gewend, dat geheel het contrarye van Hamans voornemen geschied is: want hij heeft, door het bevel van de Konings, Mordechai moeten aan doen die over grote eere, die hij hem zelf had toegedicht, ja Haman is gehangen geworden aan de galge van vijftich Cubitus hooge, die hij had maken laten, om de Iode Mordechai, van de Coninginne Esthers opvoeder, daar aan te hangen: maar Mordechai komt bij de Koning in grote aansien, en wordt tot hooge Staten verheven, En de Joden wordt consent gegeven haar leven te verdedigen, en haar over haar vijanden te wreken: ’t welk gedaan zijnde, zo hebben de Joden overal grote vreuchden-feesten gehouden, en dat niet alleen een maal, maar Esther en Mordechai hebben geordineert, dat dit alle jare geschieden zou, op de dagen van Purim, ter gedachtenis deze wonderbaarlijker en onverwachter verlossing, welke God de JAHWEH zijn volk gegeven heeft, haar verlossende uit de handen harer vijanden, als het scheen datter geen hulpe meer voor haar te verwachten en was. ’Tgene dat in dit Boek verhaalt wordt, is, na sommiger gevoelen, geschied in de tijt van omtrent twintich jaren, alhoewel sommige min rekenen.
1Het gebeurde nu in de dagen van1 Ahasveros, (hij is die Ahasveros, die regeerde2 van Indië af tot aan Morenland toe, honderd zeven en twintig landschappen).
2In die dagen, als de koning Ahasveros op de troon van zijn koninkrijk zat, die3 op de burg Susan was;
3In het derde jaar van zijn regering maakte hij een maaltijd al zijn vorsten en zijn knechten; de macht van Perzië en Medië, de4 grootste heren en de oversten van de landschappen waren voor zijn aangezicht;
4Als hij vertoonde5 de rijkdom van de heerlijkheid van zijn rijk, en de kostelijkheid van het sieraad van zijn grootheid, vele dagen lang, honderd en tachtig dagen.
5Toen nu die dagen vervuld waren, maakte de koning een maaltijd al het volk,6 dat gevonden werd op de burg Susan, van de grootste tot de kleinste, zeven dagen lang, in het voorhof van het hof van het koninklijk paleis.
6Er waren witte, groene en hemelsblauwe behangselen, gevat aan fijn linnen en purperen banden, in zilveren ringen, en aan marmeren pilaren;7 de bedsteden waren van goud en zilver, op een vloer van8 porfiersteen, en van marmer, en albast, en9 kostelijke stenen.
7En men gaf te drinken in bekers van goud, en10 de ene beker was anders dan de andere beker; en er was veel11 koninklijke wijn,12 naar het vermogen van de13 koning.
8En het drinken gebeurde naar de wet, dat14 niemand dwong; want zo had de koning15 nadrukkelijk bevolen16 aan alle groten van zijn huis, dat zij doen zouden naar de wil17 van ieder.
9De koningin Vasthi maakte ook18 een maaltijd voor de vrouwen19 in het koninklijk huis, dat de koning Ahasveros had.
10Op20 de zevende dag, toen het hart van de koning21 vrolijk was van de wijn,22 zei hij tot Mehuman, Biztha, Charbona, Bigtha en Abagtha, Zethar en Charchas, de zeven23 kamerlingen, dienende voor het aangezicht van de koning Ahasveros,
1124 Dat zij Vasthi, de koningin, zouden brengen voor het aangezicht van de25 koning, met de koninklijke kroon, om26 de volken en de vorsten haar schoonheid te tonen; want zij was27 schoon van aangezicht.
12Maar de koningin Vasthi weigerde te komen op het woord van de koning, dat door28 de dienst van de kamerlingen haar aangezegd was. Toen werd de koning zeer toornig, en zijn woede ontstak in hem.
13Toen zei de koning tot de wijzen, die29 de tijden verstonden30 (want zo moest de zaak van de koning31 gebeuren, in de aanwezigheid van al degenen, die de wet en het recht wisten;
14De32 naasten nu bij hem waren Carsena, Sethar, Admatha, Tharsis, Meres, Marsena, Memuchan,33 zeven vorsten van de Perzen en van de Meden,34 die het aangezicht van de koning zagen, die35 vooraan zaten in het koninkrijk),
15Wat36 men naar de wet met de koningin Vasthi doen zou,37 omdat zij niet gedaan had38 het woord van de koning Ahasveros, door de dienst van de kamerlingen?
16Toen zei Memuchan voor het aangezicht van de koning en van de vorsten: De koningin Vasthi heeft niet alleen tegen de koning misdaan, maar ook tegen al de vorsten, en tegen al de volken, die in al de landschappen van de koning Ahasveros zijn.
17Want41 deze daad van de koningin zal uitkomen tot alle vrouwen,42 zodat zij haar mannen verachten zullen in haar ogen, als men zeggen zal: De koning Ahasveros zei, dat men de koningin Vasthi voor zijn aangezicht brengen zou; maar zij kwam niet.
18Op deze zelfde dag zullen de vorstinnen van Perzië en Medië ook zo zeggen tot al de vorsten van de koning, als zij43 deze daad van de koningin zullen horen, en44 er zal verachtens en toorns genoeg wezen.
1945 Als het de koning goeddunkt, dat een koninklijk gebod46 van hem47 uitga, dat geschreven worde in de wetten van de Perzen en Meden, en48 dat men het niet overtrede: dat Vasthi niet inga voor het aangezicht van de koning Ahasveros, en de koning geve haar49 koninkrijk50 aan haar naaste, die beter is dan zij.
20Als het bevel van de koning, dat hij doen zal in zijn hele koninkrijk,51 (want het is groot) gehoord zal worden, zo zullen alle vrouwen aan haar mannen52 eer geven, van de grootste tot de kleinste toe.
21Dit woord nu was goed in de ogen van de koning en van de vorsten; en de koning deed naar het woord van Memuchan.
22En54 hij zond brieven aan al de landschappen van de55 koning, aan ieder landschap naar zijn schrift, en56 aan elk volk naar zijn spraak, dat elk man overheer in zijn huis wezen zou, en57 spreken naar de spraak van zijn volk.