Efeziërs 1

Boekinleiding lees meer ▾ ALZO de Apostel Paulus tot Ephesen, welke de hoofdstad was van klein Azië, eerst had gepredikt Hand. 18:19. en daarna weer-gekeert zijnde, drie jaaren lang in de zelf stad en daar omtrent het Evangeli...
ALZO de Apostel Paulus tot Ephesen, welke de hoofdstad was van klein Azië, eerst had gepredikt Hand. 18:19. en daarna weer-gekeert zijnde, drie jaaren lang in de zelf stad en daar omtrent het Evangelie bevesticht en verbreid had, Zoals te zien is Hand. 19. en Capit. 20. vers 31. en in die tijd een schoone Gemeente aldaar geplant had, wier Leeraren en Ouderlingen hij in zijn laatste reize na Jeruzalem bij een geroepen, en gewaarschouwt had voor de gene die verkeerde leeringhen zouden zoeken in te voeren, om de Discipelen CHRISTUS achter haar te trekken, Hand. 20:29, etc. zo heeft hij daarna, tot Rome gevangen zijnde, Ephes. 3:1. en 6.20. noodig geacht haar in de aangenomene waarheid door deze brief te versterken, insonderheid tegen de zulke die de genade JEZUS CHRISTUS te kort deden. Hierom na de Apostolische groete, begrepen in de twee eerste versen van ’t 1. Capit. verhaalt hij met een zeer verhevene wijse van schrijven alle de weldaden die de geloovige, volgens Gods eeuwig voornemen in CHRISTUS, ook in van de tijd ontvangen hebben, tot het 15 vers van ’t zelf Capit. en doetter bij in ’t overige deel van de Capittels een ernstig gebed tot God, dat zij in de erkentenis van deze zo grote genade, en van de krachtige werking CHRISTUS, nu in heerlijkheid ter rechter-hand zijn Vaders geseten zijnde, meer en meer mochten worden versterkt. Hij stelt haar voorders in het tweede Hfst. voor oogen de elendigen staat daar zij tevoren als heidenen in waren, buiten het verbond Gods, en zonder hope van de zaligheid, en verklaart dat zij alleen door de dood CHRISTUS daarvan zijn verlost, en alleen door het geloof in CHRISTUS, die de tusschenmuer van de Wet heeft weg genomen, nu mede-erfgenaamn van de verbondts zijn geworden. In ’t derde Capit. verheft hij de verborgentheid deze Leer van de roeping van de heidenen tot de gemeenschap CHRISTUS, zonder aan de Ceremonien verbonden te zijn: en betuigt dat die van eeuwigheid was verswegen, maar nu door de Profeten en Apostelen zo naakt geopenbaard, dat ook de Engelen in de Hemel haar daarover verwonderen, tot het 14 vers toe. en bidt daarom op een nieuw tot het ein de van ’t Hoofdstuk, dat zij met de kracht van de Geest Gods mogen versterkt worden om deze genade CHRISTUS, meer en meer in haar te gevoelen. In ’t 4 Capit. en volgens stelt hij enige gemene vermaningen tot een Christelijken wandel, en vooral vermaand hij haar tot eenigheid en standvastigheid in deze Leer. Om welke eenigheid, tegen alle dwalingen te bevoorderen, CHRISTUS nu ten hemel gevaren zijnde, verscheiden ambten in zijn Gemeente heeft verordineert: en dit doet hij tot het 17 vers toe. Daar na vermaand hij haar tot af-legging van de ouden mensches met alle zijn quade begeerten, en aandoen van de nieuwen mensches met alle zijn deughden, van daar voort tot het 22 vers van ’t 5 Hfst. Van waar hij komt tot de besondere plichten. en eerste van vrouwe en man in den houwelijken staat, die hij verklaart met het exempel CHRISTUS en zijn Gemeente tot het ein de van’t 5 Hfst. daarna van kin deren en ouderen, en ook van dienst-knechten en heeren, tot het 10 vers van ’t 6 Capit. en wapent ze ten slotte met de gehele wapen Gods, haar vermanende tot waken in den gebede, niet alleen voor haar zelf, maar ook voor alle heilige, en bijzonderlijk voor hem in zijn banden, van welke haar Tychicus, die deze brief bracht, naarder bescheet doen zou. Waar na hij de brief besluit in de 2 laatste versen met een wensch van vrede en genade, en van geloof en liefde.
11 Paulus, een apostel van Jezus Christus, door de wil van God,a aan de heiligen, die te Efeze zijn, en2 gelovigen in Christus Jezus: 2b Genade zij u en vrede van God onze Vader en de Heere Jezus Christus. 33 Gezegend zijc de God4 en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met5 alle geestelijke zegening6 in de hemel7 in Christus. 4dZoals Hij ons8 uitverkoren heeft9 in Hem,10 voor de grondlegging van dee wereld, opdat wij zouden11 heilig en12 smetteloos zijn voor Hem13 in de liefde; 5Die ons14 te voren bestemd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus,15 in Zichzelf,16 naar het welbehagen van Zijn wil. 617Tot prijs van de heerlijkheid van Zijn genade, waardoor Hij ons18 begenadigd heeftf in de19 Geliefde; 720g In Hem hebben wij21 de verlossing22 door Zijn bloed,23 namelijk de vergeving van de misdaden, naar24 de rijkdom van Zijn genade, 8Waarmee Hij25 overvloedig is geweest over ons26 in alle wijsheid en27 voorzichtigheid; 9Ons bekend gemaakt hebbende28h de geheim van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, dat Hij29 voorgenomen had in Zichzelf. 10Om30 in de31 bedeling vani de volheid van de tijden, opnieuw alles32 tot één te verzamelen in Christus,33 zowel dat in de hemel is, als dat op de aarde is; 1134 In Hem, in Welke35 wij ookk een36 erfdeel geworden zijn, wij,37 die te voren bestemd waren38 naar het voornemen Van Degene, Die39 alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil; 12Opdat wij zouden zijn tot prijs van Zijn heerlijkheid,40 wij, die eerst in Christus41 gehoopt hebben. 1342 In Welken43 ook u bent, nadat u44 het woord van de waarheid, namelijk het Evangelie van uw zaligheid gehoord hebt; in Welke u45 ook, nadat u geloofd hebt,l bent46 verzegeld geworden met de Heilige Geest47 van de belofte; 14Die48 het onderpand is van onze erfenis,49 totm de verkregene verlossing, tot prijs van Zijn heerlijkheid. 15n Daarom ook50 ik, gehoord hebbende het geloof in de Heere Jezus, dat onder u is, en de liefde tot al de heiligen, 16Houd niet op voor u te danken, gedenkende aan u in mijn gebeden; 17Opdat de God van onze Heere Jezus Christus, de Vader van de51 heerlijkheid, u geve de Geest van de wijsheid en van de52 openbaring in Zijn kennis; 1853 Namelijk verlichte ogen van uw verstand, opdat u mag weten, welke zij54 de hoop van Zijn roeping, en welke55 de rijkdom zij van de heerlijkheid van56 Zijn erfenis in de heiligen; 19En welke de uitnemende grootheid57 van Zijn kracht zij aan ons, die geloven,o naar de werking van de sterkte van Zijn macht, 2058 Die Hij gewerkt heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt;p en heeft59 Hem gezet tot Zijn rechterhand in de hemel; 2160 Ver boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en61 alle naam, die genoemd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook62 in de toekomende; 22q En heeft63 alle dingen64 Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem aan de Gemeente gegeven65 tot een Hoofd boven alle dingen; 23r Die Zijn lichaam is, en de66 vervulling van Degene, Die alles in allen vervult.