Deuteronomium 1
Boekinleiding
lees meer ▾
DIT Boek wordt met een Griecx woord genoemd DEUTERONOMIUM, dat is, tweede of wederhaalde Wet: Om dat Mozes de wetten Gods, die in de voorgaande Boeken beschreven zijn, hier kortelijk wederhaalt, verkl...
DIT Boek wordt met een Griecx woord genoemd DEUTERONOMIUM, dat is, tweede of wederhaalde Wet: Om dat Mozes de wetten Gods, die in de voorgaande Boeken beschreven zijn, hier kortelijk wederhaalt, verklaart, en de volk met een zonderlingen ijver, en vele zeer heilige beweeg-redenen, getrouwelijk en onverdrietelijk inscherpt. Zo dat dit Boek met recht een kort Wet-boek in ’t bijzonder mach genoemd worden. Dit heeft Mozes gedaan in de twee laatste maanden van de veertichsten jaars na de uittocht van de kin deren Israëls uit Egypte, in de velden van de Moabiten, als hij nu Israël tot aan de palen van de lants Kanaän had gebracht, en alle die wederspannige Israëlieten, volgens Gods dreigingen en eed, in de woestijne waren omgekomen: om het volk, dat in de woestijne was opgewassen, en voor een deel aan deze zijde van de Iordane blijven, en voor ’t meesten-deel door Iosua in ’t beloofde Land zou worden ingevoert, korts voor zijn dood van haar schuldigen plicht volkomelijk te onderwijzen, wetende, dat hij haast sterven, en over de Iordane in ’t Land Kanaän niet komen en zou.
1Dit1 zijn de woorden, die Mozes tot geheel Israël gesproken heeft,2 aan deze zijde van de Jordaan, in de woestijn, op het3 vlakke veld tegenover4 Suf, tussen5 Paran en tussen Tofel, en Laban, en Hazeroth, en Dizahab.
2Elf dag reizen zijn het van6 Horeb,7 door de weg van het8 gebergte Seïr, tot aan9 Kades-barnea.
3En het is geschied in het10 veertigste jaar, in11 de elfde maand, op de eerste van de maand, dat Mozes sprak tot de kinderen van Israël, naar alles wat hem JAHWEH12 aan hen bevolen had;
4a Nadat hij geslagen had Sihon, de koning van13 de Amorieten, die te Hesbon woonde, en Og, de koning van Bazan, die woonde in14 Astharoth, te Edreï.
5Aan deze zijde van de Jordaan, in het15 land van16 Moab, hief Mozes aan,17 deze wet uit te leggen, zeggende:
6JAHWEH, onze God, sprak tot ons aan Horeb, zeggende: U bent lang genoeg bij deze berg gebleven.
7Keert u, en vertrekt, en gaat in20 het gebergte21 van de Amorieten, en tot al hun buren, in het vlakke veld, op het gebergte, en22 in de laagte, en in het zuiden, en aan de havens van de zee; het land van de Kanaänieten, en de Libanon, tot aan die grote rivier, de rivier23 Frath.
8Ziet, Ik heb dat land gegeven24 voor uw aangezicht; gaat daarin, en bezit erfelijk het land, dat JAHWEH aan uw vaderen,b Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft, dat Hij het hun en hun zaad na hen geven zou.
9En ik sprak in die tijd tot u, zeggende: Ik alleen zal u niet kunnen dragen.
10JAHWEH, uw God, heeft u vermenigvuldigd, en zie, u bent heden27 als de sterren van de hemel in menigte.
11JAHWEH, uw vaderen God, doe tot u, zo als u nu bent, duizendmaal meer, en Hij zegene u, zoals Hij tot u gesproken heeft!
12Hoe zou ik alleen28 uw moeite, en uw last, en uw29 twistzaken dragen?
1330 Neemt u wijze, en verstandige, en31 ervarene mannen, van uw stammen, dat ik hen tot uw32 hoofden stelle.
14Toen antwoordde u mij, en zei: Dit33 woord is goed, dat u gesproken hebt, om te doen.
15Zo nam ik de hoofden van uw stammen, wijze en ervarene mannen, en stelde hen tot hoofden over u, oversten van duizenden, en oversten van honderden, en oversten van vijftigen, en oversten van tienen, en ambtlieden voor uw stammen.
16En ik gebood uw rechters in die tijd, zeggende: Hoort de verschillen tussen uw broers, en richt recht tussen de man en tussen zijn broer, en tussen zijn vreemdeling.
17e U zult het36 aangezicht in het gericht niet kennen; u zult de37 kleine, zowel als de38 grote, horen; u zult niet vrezen voor iemands aangezicht; want het gericht39 is van God; maar de zaak,40 die voor u te41 zwaar zal zijn, zult u tot mij doen komen, en ik zal ze horen.
18Zo gebood ik u in die tijd alle zaken, die u zou doen.
19Toen vertrokken wij van Horeb, en doorwandelden die gehele grote en vreselijke woestijn, die u gezien hebt, op de weg van het gebergte van de Amorieten, zoals JAHWEH, onze God, ons geboden had; en wij kwamen tot Kades-barnea.
20Toen zei ik tot u: U bent gekomen tot het gebergte van de Amorieten, dat JAHWEH, onze God, ons geven zal.
21Zie, JAHWEH, uw God, heeft dat land gegeven42 voor uw aangezicht; trekt op, bezit het erfelijk, zoals JAHWEH, uw vaderen God, tot u gesproken heeft; vreest niet, en ontzet u niet.
22Toen naderde u allen tot mij, en zei: Laat ons mannen voor ons aangezicht heenzenden, die ons het land uitspeuren, en ons43 bescheid terugbrengen, welke weg wij daarin optrekken zullen, en tot welke steden wij komen zullen.
23Deze zaak nu44 was goed in mijn ogen; zo nam ik uit u twaalf mannen, vanf elke stam een man.
24g Die keerden zich, en trokken op naar het gebergte, en kwamen tot het45 dal46 Eskol, en verspiedden het.
25En zij namen van47 de vrucht van het land in hun hand, en brachten ze tot ons af, en zeiden ons bescheid weer, en zeiden: Het land, dat JAHWEH, onze God, ons geven zal, is goed.
26h Maar u wilde niet optrekken; maar u was48 de mond van JAHWEH, van uw God, opstandig.
27En u morde in uw tenten, en zei:49 Omdat JAHWEH ons haat, heeft Hij ons uit Egypteland uitgevoerd, opdat Hij ons levere in de hand van de Amorieten, om ons te vernietigen.
28Waarheen zouden wij optrekken? Onze broers hebben ons hart doen smelten, zeggende: Het is een volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot, en gesterkt tot in de hemel toe; ook hebben wij daar kinderen van de Enakieten gezien.
29Toen zei ik tot u: Verschrikt niet, en vreest niet voor hen.
30JAHWEH, uw God, Die voor uw aangezicht wandelt, Die zal voor u strijden, naar alles, wat Hij bij u voor uw ogen gedaan heeft in Egypte.
3154 En in de woestijn, waar u gezien hebt, dat JAHWEH uw God, u daarin gedragen heeft,55 als een man zijn zoon draagt, op al de weg, die u gewandeld hebt, totdat u kwam aan deze plaats.
32Maar56 door dit woord57 geloofde u niet aan JAHWEH, uw God.
33Die voor uw aangezicht op de weg wandelde,k om u de plaats uit te zien, waar u zou legeren; in de nacht58 in het vuur, opdat Hij u de weg wees, waarin u zou gaan, en overdag in de wolk.
34Als nu JAHWEH de stem van uw woorden hoorde, zo werd Hij zeer boos, en zwoer, zeggende:
35Zo iemand van deze mannen, van dit kwade geslacht,l zal zien dat goede land, dat Ik gezworen heb uw vaderen te zullen geven!59
36Behalve60 Kaleb, de zoon van Jefunne; die zal het zien, en aan hem zal Ik61 het land geven, waarop hij getreden heeft, en aan zijn kinderen;62 omdat hij volhard heeft JAHWEH na te volgen.
37Ook vertoornde zich JAHWEH op mij om uwentwil, zeggende: U zult daar ook niet inkomen.
38Jozua, de zoon van Nun, die64 voor uw aangezicht staat, die zal daarin komen; sterk hem, want hij zal het65 Israël doen erven.
39En uw kinderen, waarvan u zei: Zij zullen tot een roof zijn; en uw kinderen, die heden66 noch goed noch kwaad weten, die zullen daarin komen, en die zal Ik het geven, en die zullen het erfelijk bezitten.
40U daarentegen, keert u, en reist naar de woestijn, de weg van de67 Schelfzee.
41Toen antwoordde u, en zei tot mij: Wij hebben tegen JAHWEH gezondigd; wij zullen optrekken, en strijden, naar alles, wat JAHWEH, onze God, ons geboden heeft. Als u nu ieder zijn68 krijgsgereedschap aangordde, en69 willens was, om70 naar het gebergte heen op te trekken,
42Zo zei JAHWEH tot mij: Zeg hun: Trekt niet op, en strijdt niet, want Ik ben niet in het midden van u; opdat u niet voor het aangezicht van uw vijanden geslagen wordt.
43Maar als ik tot u sprak, zo hoorde u niet, maar was de mond van JAHWEH opstandig, en handelde72 trotselijk, en trok op naar het gebergte.
44Toen73 trokken de Amorieten uit, die op dat gebergte woonden, u tegemoet, en vervolgden u, zoals74 de bijen doen; en zij verpletterden u in Seïr tot Horma toe.
45Als u nu terugkwam en huilde voor het aangezicht van JAHWEH, zo verhoorde JAHWEH uw stem niet, en neigde Zijn oren niet tot u.
46Zo bleef u in Kades vele dagen,75 naar de dagen, dat u er bleef.