Daniël 2
11 In het tweede jaar nu2 van het koninkrijk van Nebukadnezar, droomde Nebukadnezar3 dromen; daarvan werd zijn geest4 verslagen, en zijn slaap5 werd in hem gebroken.
2Toen6 zei de koning, dat men roepen zou7 de tovenaars, en de sterrekijkers, en de8 guichelaars, en9 de Chaldeeën, om de koning zijn dromen10 te kennen te geven; zij nu kwamen, en stonden voor het aangezicht van de koning.
3En de koning zei tot hen: Ik heb een droom gedroomd; en mijn geest is ontsteld om die droom te weten.
4Toen spraken12 de Chaldeeën, tot de koning13 in het Syrisch:14 O koning, leef in15 eeuwigheid! Zeg16 uw knechten de droom,17 zo zullen wij de uitlegging te kennen geven.
5De koning antwoordde en zei tot de Chaldeeën: De zaak is mij ontgaan; als u mij de droom en zijn uitlegging niet bekend maakt, u zult in stukken gehouwen worden, en uw huizen zullen tot een drekhoop gemaakt worden.
6Maar als u de droom en zijn uitlegging te kennen geeft, zo zult u geschenken en21 gaven, en22 grote eer van mij ontvangen; daarom geeft mij de droom en zijn uitlegging te kennen.
7Zij antwoordden voor de tweede keer, en zeiden: De koning zeg zijn knechten de droom, dan zullen wij de uitlegging te kennen geven.
8De koning antwoordde en zei: Ik weet vastelijk, dat u de tijd uitkoopt, omdat u ziet, dat de zaak mij ontgaan is.
9Als u mij26 die droom niet te kennen geeft, uw27 vonnis is enerlei; daarom hebt u een leugenachtig en verdicht woord voor mij te zeggen28 bereid, totdat de tijd verandere; daarom zegt mij de droom, dan zal ik weten, dat u mij daarvan uitlegging zult te kennen geven.
10De Chaldeeën antwoordden29 voor de koning, en zeiden:30 Er is geen mens31 op de aardbodem, die het woord van de32 koning zou kunnen te kennen geven; daarom is er geen koning,33 grote of heerser, die zulk een zaak begeerd heeft van enige tovenaar, of sterrekijker, of Chaldeer.
11Want de zaak die de koning begeert,34 is te zwaar; en er is niemand anders, die dat voor de koning te kennen kan geven, dan35 de goden, wier woning bij het vlees niet is36.
1237 Daarom werd de koning boos en zeer toornig, en38 zei, dat men al de wijzen te Babel zou ombrengen.
13Die39 wet dan ging uit, en40 de wijzen werden gedood;41 men zocht ook Daniël en zijn metgezellen, om gedood te worden.
1442 Toen bracht Daniël een raad en oordeel in, aan Arioch,43 de overste van de trawanten van de koning, die uitgetogen was, om de wijzen van Babel te doden.
15Hij antwoordde en zei tot Arioch, de bevelhebber van de koning: Waarom zou de wet van 's konings wege zo verhaast worden? Toen gaf Arioch aan Daniël de zaak te kennen.
1648 En Daniël ging in, en verzocht van de koning, dat hij hem een bestemde tijd wilde geven, dat hij de koning de uitlegging te kennen gave.
17Toen ging Daniël naar zijn huis, en49 hij gaf de zaak zijn metgezellen, Hananja, Misael, en Azarja te kennen;
18Opdat zij50 van de God van de51 hemel barmhartigheden verzochten over deze geheim, dat Daniël en zijn metgezellen met de overige wijzen van Babel niet omkwamen.
19Toen werd aan52 Daniël in een nachtgezicht de geheim geopenbaard; toen53 loofde Daniël de God van de hemel.
20Daniël antwoordde en zei: De Naam van God zij geloofd van eeuwigheid tot in eeuwigheid, want Zijn is de wijsheid en de kracht.
21Want57 Hij verandert de tijden en stonden; Hij58 zet de koningen af, en Hij59 bevestigt de koningen; Hij geeft de wijzen wijsheid, en wetenschap van hen,60 die verstand hebben;
22Hijb openbaart61 diepe en verborgen dingen;62 Hij weet, wat in het duister is, want63 het licht woont bij Hem.
23Ik dank en ik loof U, o God van mijn vaderen! omdat U mij wijsheid en64 kracht gegeven hebt, en mij nu bekend gemaakt hebt, wat wij van U verzocht hebben, want U hebt65 ons66 de zaak van de koning bekend gemaakt.
24Daarom ging Daniël in tot Arioch, die de koning gesteld had om de wijzen van Babel om te brengen; hij ging heen en zei zo tot hem: Breng de wijzen van Babel niet om, maar breng mij in voor de koning, en ik zal de koning de uitlegging te kennen geven.
25Toen bracht Arioch met haast Daniël voor de koning, en hij sprak zo tot hem: Ik heb een man van de als gevangene weggevoerden van Juda gevonden, die de koning de uitlegging zal bekend maken.
26De koning antwoordde en zei tot Daniël, wiens naam Beltsazar was: Bent u machtig mij bekend te maken de droom, die ik gezien heb, en zijn uitlegging?
27Daniël antwoordde voor de koning, en zei: De geheim, die de koning eist, kunnen de wijzen, de sterrekijkers, de tovenaars, en de waarzeggers de koning niet te kennen geven;
28Maar er is een God in de hemel, Die geheimen openbaart,75 Die heeft de koning Nebukadnezar bekend gemaakt, wat er gebeuren zal76 in het laatste van de dagen; uw droom, en de visioenen van uw hoofd op uw leger,77 zijn deze:
29U, o koning! op uw leger zijnde, klommen uw gedachten op, wat78 hierna79 gebeuren zou; en Hij, Die verborgen dingen openbaart, heeft u te kennen gegeven, wat er gebeuren zal.
30Mij nu, mij is de geheim geopenbaard,80 niet door wijsheid, die in mij is boven alle levenden; maar81 daarom opdat men de koning de uitlegging zou bekend maken, en82 opdat u de gedachten van uw hart zou weten.
31U, o koning!83 zaagt, en ziet, er was84 een85 groot beeld (dit beeld was treffelijk, en86 de glans daarvan was uitnemend), staande tegen u over; en87 zijn gedaante was schrikkelijk.
32Het hoofd van dit beeld was88 van goed goud; zijn borst en zijn armen van zilver; zijn89 buik en zijn dijen van koper;
33Zijn schenkelen van ijzer; zijn voeten90 deels van ijzer, en deels van leem.
3491 Dit zaagt u, totdat92 er een steen93 afgehouwen werd94 zonder handen, die sloeg dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem, en vermaalde ze.
35Toen werden95 samen vermaald het ijzer, leem, koper, zilver en goud, en zij werden gelijk kaf van96 de dorsvloeren van de zomers, en de wind nam ze weg, en er werd geen plaats daarvoor gevonden; maar de steen, die het beeld geslagen heeft, werd tot een grote berg, zo97 dat hij de hele aarde vervulde.
36Dit is de droom; zijn uitlegging nu zullen98 wij voor de koning zeggen.
37U, o koning! bent99 een koning van de koningen; want de God van de hemel heeft u100 een koninkrijk,101 macht, en sterkte, en eer gegeven;
38En102 overal, waar mensenkinderen wonen, heeft Hij de beesten van het veld en de vogels van de hemel103 in uw hand gegeven; en Hij heeft u104 gesteld tot een heerser over al die;105 u bent106 dat gouden hoofd.
39En107 na u zal108 een ander koninkrijk opstaan,109 lager dan het uwe; daarna110 een ander, het derde koninkrijk van koper, dat heersen zal111 over de hele aarde.
40En112 het vierde koninkrijk zal hard zijn, gelijk ijzer; aangezien het ijzer alles vermaalt en verzwakt;113 gelijk nu het ijzer, dat dat alles verbreekt, zo zal het vermalen en verbreken.
41En dat u gezien hebt de voeten en de tenen, ten dele van pottenbakkersleem, en ten dele van ijzer, dat zal114 een gedeeld koninkrijk zijn,115 maar daar zal van de vastheid van het ijzer in zijn, in welk opzicht u gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem;
42En116 de tenen van de voeten, ten dele ijzer, en ten dele leem; dat koninkrijk zal117 ten dele hard zijn, en ten dele broos.
43En dat u gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem, zij zullen zich wel door menselijk zaad118 vermengen, maar zij zullen de één aan de ander niet hechten, gelijk als zich ijzer met leem niet vermengt.
44Maar in de dagen van119 die koningen zal de God van de120 hemel een Koninkrijk verwekken,c dat in de eeuwigheid niet zal verstoord worden; en121 dat Koninkrijk122 zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal123 al die koninkrijken124 vermalen, en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan.
45125 Daarom hebt u gezien, dat126 uit de berg127 een steen128 zonder handen129 afgehouwen is geworden,130 die het ijzer, koper, leem, zilver en goud vermaalde; de grote God heeft de koning bekend gemaakt, wat131 hierna gebeuren zal; de droom nu132 is gewis, en zijn uitlegging is zeker.
46133 Toen viel de koning Nebukadnezar op zijn aangezicht, en134 aanbad Daniël; en hij zei, dat men hem met spijsoffer en liefelijk reukwerk een drankoffer doen zou.
47De koning antwoordde Daniël en zei: Het is de waarheid, dat uw God een God van de goden is, en een Heere van de koningen, en Die de geheimen openbaart, omdat u deze geheim hebt kunnen openbaren.
48138 Toen maakte de koning Daniël groot, en hij gaf hem vele grote geschenken, en hij stelde hem tot een heerser over het hele landschap van Babel, en een overste van de overheden over al de wijzen van Babel.
49139 Toen verzocht Daniël van de koning; en hij stelde Sadrach, Mesach en Abed-nego140 over141 de bediening van het landschap van Babel;142 maar Daniël bleef aan de poort van de koning.