Boek der Wijsheid 1
Boekinleiding
lees meer ▾
1 De Rechters moeten de JAHWEH zoeken. 2 God geeft zijn wijsheid niet de huichelaren, noch de lasteraars. 6 wier herte hij kent, en woorden hij hoort. 12 God en heeft de dood niet gemaakt: maar wij ze...
1 De Rechters moeten de JAHWEH zoeken. 2 God geeft zijn wijsheid niet de huichelaren, noch de lasteraars. 6 wier herte hij kent, en woorden hij hoort. 12 God en heeft de dood niet gemaakt: maar wij zelf brengen de dood en ’t verderf over ons, door onze zonden en ongerechtigheid.
1HEBT de gerechtigheid lief, u, die de aarde richt; hebt van de Heere een goed gevoelen en zoekt Hem in eenvoud van de harten.
2Want hij wordt gevonden door degenen die hem niet verzoeken, en verschijnt die, die hem niet wantrouwen.
3Want verkeerde gedachten scheiden van God, en Zijn kracht beproefd zijnde overtuigt de zotten.
4Want wijsheid zal niet komen in een ziel, die met kwade ranken omgaat, en zal niet wonen in een lichaam aan zonden verplicht.
5Want de Heilige Geest van de onderwijzing vlucht de bedriegerij, wijkt af van de gedachten van de onverstandigen en bestraft hen, als de ongerechtigheid daarbij komt.
6Want de wijsheid is een menslievende geest, maar zal niet onschuldig houden degene, die met zijn lippen lastert, want God is een getuige van zijn nieren, en een waarachtig opmerker van zijn hart en een aanhoorder van zijn tong.
7Want de Geest van de Heere vervult de aarde, en wat alles samen houdt heeft kennis van de stem.
8Daarom zal niemand voor hem kunnen schuilen die spreekt wat onrecht is, en de straffende wraak zal hem niet voorbijgaan.
9Want over de raadslagen van de goddelozen zal onderzoek gebeuren, en het geluid van zijn woorden zal voor de Heere komen, tot bestraffing van zijn misdaden.
10Omdat zijn ijverig oor al de dingen hoort, en het knorren van de murmurerens hem niet verborgen is.
11Wees dan op uw hoede voor de onnutte murmurering en onthoudt uw tong van achterklappen, want de verborgen rede zal niet leeg heengaan, en de mond die liegt, brengt de ziel om.
12Staat niet naar de dood door dwaling van uw leven, en trekt het verderf niet over u door werken van uw handen.
13Want God heeft de dood niet gemaakt, en heeft geen vermaak aan het verderf van de levenden.
14Want hij heeft alle dingen geschapen om te zijn, en de beginselen van de wereld zijn heilzaam, en in deze is geen venijn van het verderf, en het rijk van het dodenrijk is niet op aarde.
15Gerechtigheid is onsterfelijk.
16Maar de goddelozen hebben dat met handen en met woorden tot zich geroepen, het houdende voor een vriend, zijn zij versmolten en hebben een verbond daarmee opgericht; want zij zijn waard, dat zij het tot een deel hebben.