2 Samuel 10

11a En het gebeurde daarna, dat de2 koning van de kinderen Ammons stierf, en zijn zoon3 Hanun werd koning in zijn plaats. 2Toen zei David: Ik zal weldadigheid doen aan Hanun, de zoon van Nahas, zoals zijn vader weldadigheid aan mij gedaan heeft. Zo zond David heen, om hem door de dienst van zijn knechten te troosten over zijn vader. En de knechten van David kwamen in het land van de kinderen Ammons. 3Toen zeiden de vorsten van de kinderen Ammons tot hun heer Hanun: Eer David uw vader9 in uw ogen, omdat hij troosters tot u gezonden heeft?10 Heeft David zijn knechten niet daarom tot u gezonden, dat hij deze stad doorzoeke, en die verspiede, en die omkere? 4Toen nam Hanun Davids knechten, en schoor11 hun baard half af, en sneed hun kleren12 half af, tot aan hun billen; en hij liet hen gaan. 5Als zij dit David lieten weten, zo zond hij hun tegemoet; want deze mannen waren zeer beschaamd. En de koning zei: Blijft te Jericho, totdat uw baard weer gewassen zal zijn, komt dan weer. 6Toen nu de kinderen Ammons zagen, dat zij zich bij David15 stinkende gemaakt hadden, zonden de kinderen Ammons heen, en16 huurden van17 de Syriërs van Beth-Rechob, en van de Syriërs van Zoba, twintig duizend voetvolks, en van de koning van Maächa duizend man, en van de mannen van18 Tob twaalf duizend man. 7Als David dit hoorde, zond hij Joab heen, en het hele leger met de19 helden. 8En de kinderen Ammons trokken uit, en stelden de slagorde voor de deur20 van de poort; maar de Syriërs van Zoba, en Rechob, en de mannen van Tob en Maächa waren bijzonder in het veld. 9Als nu Joab zag, dat de21 spits van de slagorde tegen hem was, van voren en van achteren, zo verkoos hij uit alle uitgelezenen van Israël, en stelde hen in orde22 tegen de Syriërs aan; 10En het overige van het volk gaf hij onder de hand van zijn broer Abisai, die het in orde stelde tegen de kinderen Ammons aan. 11En hij zei: Zo de Syriërs mij te sterk zullen zijn, zo zult u mij komen verlossen; en zo de kinderen Ammons u te sterk zullen zijn, zo zal ik komen om u te verlossen. 1224 Wees sterk, en laat ons sterk zijn voor ons volk, en voor de steden van onze God; JAHWEH nu25 doe, wat26 goed is in Zijn ogen. 13Toen naderde Joab, en het volk, dat bij hem was, tot de strijd tegen de Syriërs; en zij vluchtten voor zijn aangezicht. 14Als de kinderen Ammons zagen, dat de Syriërs vluchtten, vluchtten zij ook voor het aangezicht van Abisai, en kwamen in de stad. En Joab keerde weer van de kinderen Ammons, en kwam te Jeruzalem. 15Toen nu de Syriërs zagen, dat zij voor Israëls aangezicht geslagen waren, zo verzamelden zij zich weer samen. 16En Hadad-ezer zond heen, en deed de Syriërs uitkomen, die aan de overzijde van27 de rivier zijn, en zij kwamen te28 Helam; en29 Sobach, Hadad-ezers krijgsoverste, trok voor hun aangezicht heen. 17Als dat David werd aangezegd, verzamelde hij geheel Israël, en trok over de Jordaan, en kwam te Helam, en de Syriërs stelden30 de slagorde tegen David aan, en streden met hem. 18Maar de Syriërs vluchtten voor Israëls aangezicht, en David31 versloeg van de Syriërs zevenhonderd32 wagens, en veertig33 duizend ruiteren; daartoe sloeg hij Sobach, hun krijgsoverste, dat hij daar stierf. 19Toen nu al de koningen, die Hadad-ezers34 knechten waren, zagen, dat zij voor Israëls aangezicht geslagen waren, maakten zij vrede met Israël, en35 dienden hen; en de Syriërs vreesden de kinderen Ammons meer te36 verlossen.