2 Samuel 1
Boekinleiding
lees meer ▾
IN dit Boek zijn beschreven de geschiedenissen, na Sauls dood, onder de Koninklijke regering van David. En wordt daarin aan d’ een zijde zeer levendig voor oogen gesteld de onbegrijplijke genade en we...
IN dit Boek zijn beschreven de geschiedenissen, na Sauls dood, onder de Koninklijke regering van David. En wordt daarin aan d’ een zijde zeer levendig voor oogen gesteld de onbegrijplijke genade en weldadigheid Gods aan David bewezen, niet alleen in het tijtlijke en lichamelijke, mits dat hij hem tot troost zijn volcx, na veel lijdens, door zijn Goddelijke bestiering, tot het Koninklijke Ampt, eerst over Iuda, daarna over geheel Israël heeft verheven, en verder met menigte van sonen begaafd, item met kloeke Officieren, en vele dappere krijchs-helden ondersteunt, hem met heroijke dapperheid verciert, zijn Koninkrijk bevestigd, vermeerdert en uitgebreid, en hem zeer vele en wonderlijke victorien tegen alle zijn uitlandse en inlandse vijanden verleent heeft: Maar in het bijzonder ook in het geestelijke en eeuwige: hem regerende door de Geest van de geloofs en van de kintschap, van de Prophetye, uitnemend godsvrucht en Godsvrucht, wijsheid, rechtvaardigheid, goedertierenheid, nederigheid, lijdsaamheid, en andere zeer loflijke deuchden, die doorgaans in zijn actien en regering gebleken zijn: doende hem daar en boven (bij occasie, dat hij Gode een Huis wilde bouwen) die uitermaten heerlijke beloften van het geestelijk, hemelsch, en eeuwig Koninkrijk van de Messias, onze Heeren en Salichmakers JEZUS CHRISTUS, die uit zijn zade (na de vleese) zou voortkomen, en tot wiens voorbeeld God hem, en ook zijn zoon en successeur Salomo, gesteld heeft.
1Verder gebeurde het na Sauls dood, als David van de1 slag vana de Amalekieten was wedergekomen, en David twee dagen te2 Ziklag gebleven was;
2Zo gebeurde het op de derde dag, dat, ziet, uit het leger van Saul, een man kwam, wiens kleren3 gescheurd waren, en4 aarde was op zijn hoofd; en het gebeurde, als hij tot David kwam, zo viel hij ter aarde en boog zich neer.
3En David zei tot hem: Vanwaar komt u? En hij zei tot hem: Ik ben ontkomen uit het leger van Israël.
4Verder zei David tot hem: Wat is de zaak? Verhaal het mij toch. En hij zei, dat het volk uit de strijd gevlucht was, en dat er ook velen van het volk gevallen en gestorven waren, dat ook Saul en zijn zoon Jonathan dood waren.
5En David zei tot de jongen, die hem de boodschap bracht: Hoe weet u, dat Saul dood is, en zijn zoon Jonathan?
6Toen zei de jongen, die hem de boodschap bracht: Ik kwam bij geval op het gebergte van Gilboa; en ziet, Saul leunde op zijn speer; en ziet, de wagens en ritmeesters hielden dicht op hem.
7Zo zag hij achter zich om, en zag mij, en hij riep mij, en ik zei: Zie, hier ben ik.
8En hij zei tot mij: Wie bent u? En ik zei tot hem: Ik ben een Amalekiet.
9Toen zei hij tot mij: Sta toch bij mij, en dood mij; want deze maliënkolder heeft mij opgehouden; want mijn leven is nog geheel in mij.
10Zo stond ik bij hem, en doodde hem; want ik wist, dat hij na16 zijn val niet leven zou; en ik nam de kroon, die op zijn hoofd was, en het armgesmijde, dat aan zijn arm was, en heb ze hier tot mijn17 heer gebracht.
11b Toen vatte David zijn kleren en18 scheurde ze; evenzo ook al de mannen, die met hem waren.
12En zij weeklaagden, en huilden, en vastten tot op de avond, over Saul en over Jonathan, zijn zoon, en over het volk van JAHWEH, en over het huis van Israël, omdat zij door het zwaard gevallen waren.
13Verder zei David tot de jongen, die hem de boodschap gebracht had: Vanwaar bent u? En hij zei: Ik ben de zoon van een vreemden man, van een Amalekiet.
14En David zei tot hem: Hoe, hebt u niet gevreesd uw hand uit te strekken, om de gezalfde van JAHWEH te verderven?
15En David riep één van de jongens, en zei: Treed toe, val op hem aan. En hij sloeg hem, dat hij stierf.
16En David zei tot hem: Uw bloed zij op uw hoofd; want uw mond heeft tegen u getuigd, zeggende: ik heb de gezalfde van JAHWEH gedood.
17David nu klaagde23 deze klage over Saul en over Jonathan, zijn zoon;
18Als hij24 gezegd had, dat men de kinderen25 van Juda de boog26 zou leren; ziet,27 het is geschreven in het boek28 vanc de Oprechten.
19O29 Sieraad van Israël, op uw30 hoogten is hij verslagen; hoe zijn de helden gevallen!
20d Verkondigt het niet te31 Gath, boodschapt het niet op de straten van Askelon; opdat de dochters van de Filistijnen zich niet verblijden,32 opdat de dochters33 van de onbesnedenen niet34 opspringen van vreugde.
2135 U, bergen van Gilboa, noch dauw noch regen moet zijn op u,36 noch velden van de hefofferen; want daar is van de helden schild37 smadelijk weggeworpen, het schild van Saul, alsof38 hij niet gezalfd was geweest met olie.
2239 Van het bloed van de verslagenen, van het vette van de helden, werd Jonathans boog niet achteruit gedreven; en Sauls zwaard keerde niet leeg weer.
23Saul en Jonathan, die geliefden, en die liefelijken in hun leven, zijn ook in hun dood niet gescheiden; zij waren40 lichter dan adelaars, zij waren sterker dan leeuwen.
24U, dochters van Israël, weent over Saul; die u41 kleedde met scharlaken,42 met weelde;43 die u sieraad van goud deed dragen over uw kleding.
25Hoe zijn de helden gevallen in het midden van de strijd! Jonathan is verslagen op44 uw hoogten!
26Ik ben benauwd om uwentwil, mijn broer Jonathan! U was mij zeer liefelijk;45 uw liefde was mij wonderlijker dan liefde van46 de vrouwen.
27Hoe zijn de helden gevallen, en de47 oorlogswapenen verloren!