2 Kronieken 34
11 Josia was2 acht jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde een en dertig jaren te Jeruzalem.
2En hij deed dat recht was in de ogen van JAHWEH, en3 wandelde in de wegen van zijn vader David, en week4 niet af ter rechterhand, noch ter linkerhand.
3Want in het achtste jaar van zijn regering, toen hij nog5 een jongeling was, begon hij de God van zijn vader Davids te6 zoeken; en in het7 twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalema van de hoogten en de bossen, en de gesneden en de gegoten beelden te reinigen.
4En men brak8 voor zijn aangezicht af de altaren9 van de Baäls; en de10 zonnebeelden, die omhoog daarboven11 waren, hieuw hij af; de12 bossen ook, en de gesneden en gegoten beelden verbrak, en vergruisde, en13 strooide hij op de graven van degenen, die hun geofferd hadden.
5En14 de beenderen van de priesters verbrandde hij op15 hun altaren; en hij reinigde Juda en Jeruzalem.
6Daartoe in de steden van Manasse, en Efraïm, en Simeon, ja, tot Nafthali toe,16 in haar woeste plaatsen rondom,
7Brak hij ook de altaren af en de bossen, en de gesneden beelden17 stampte hij, die vergruizende, en al de zonnebeelden hieuw hij af in het hele land van Israël; daarna keerde hij weer naar Jeruzalem.
8Inb het achttiende jaar nu van zijn regering, als hij het land en het18 huis19 gereinigd had, zond hij Safan, de zoon van Azalia, en Maaseja, de20 overste van de stad, en Joha, de zoon van Joahaz, de kanselier,21 om het huis van JAHWEH, van zijn God, te verbeteren.
9En zij kwamen22 tot Hilkia, de23 hogepriester, en24 zij gaven het geld, dat in het huis van God gebracht was, dat de Levieten, die de25 dorpel bewaarden, verzameld hadden uit de hand26 van Manasse en Efraïm, en uit27 het hele overblijfsel van Israël, en uit geheel Juda en Benjamin, en te Jeruzalem wedergekomen28 waren;
1029 Zij nu gaven het in de hand30 van de verzorgers van het werk, die besteld waren over het huis van JAHWEH, en deze gaven dat van hen, die het werk deden, die arbeidden aan het huis van JAHWEH, om het huis te31 vermaken en te verbeteren.
11c Want zij gaven het de werkmeesters en de bouwers, om32 gehouwen stenen te kopen, en hout tot de33 samenvoegingen, en om de34 huizen te zolderen, die35 de koningen van Juda verdorven hadden.
12En die mannen handelden36 trouw in dit werk; en de37 bestelden daarover waren Jahath en Obadja, Levieten van de kinderen van Merari, en ook Zacharia en Mesullam, van de kinderen van de Kahathieten, om het werk voort te drijven;38 en die Levieten waren allen verstandig op instrumenten van muziek.
13Zij waren ook over de lastdragers, en de voortdrijvers van allen, die in39 enig werk arbeidden; want uit de Levieten waren schrijvers, en40 ambtlieden, en poortwachters.
14En als zij het geld uitnamen, dat in het huis van JAHWEH gebracht was, vond de priester Hilkia41 het wetboek van JAHWEH, gegeven door de hand van Mozes.
15En Hilkia antwoordde en zei tot Safan, de schrijver: Ik heb het wetboek gevonden in het huis van JAHWEH. En Hilkia gaf Safan dat boek.
16En Safan droeg dat boek tot de koning; daarbenevens bracht hij nog de koning bescheid weer, zeggende: Al wat in de hand van uw knechten gegeven is, dat doen zij;
17En zij hebben het geld samengestort,45 dat in het huis van JAHWEH gevonden is, en hebben het gegeven in de hand van de bestelden, en in de hand van degenen, die het werk46 maakten.
18Verder gaf Safan, de schrijver, de koning te kennen, zeggende: Hilkia, de priester, heeft mij een boek gegeven. En Safan las daarin voor het aangezicht van de koning.
19Het gebeurde nu, als de koning de woorden van de wet hoorde, dat47 hij zijn kleren scheurde.
20En de koning gebood Hilkia, en Ahikam, de zoon van Safan, en48 Abdon, de zoon van Micha, en Safan, de schrijver, en Asaja, de knecht van de koning, zeggende:
21Gaat heen, vraagt JAHWEH voor mij, en voor49 het overgeblevene in Israël en in Juda, over de woorden van deze boeks, dat gevonden is; want de woede van JAHWEH is groot, die over ons50 uitgegoten is, omdat onze vaders niet hebben gehouden het woord van JAHWEH, om te doen naar al wat in dat boek geschreven is.
22Toen ging Hilkia heen, en die51 van de koning waren, tot de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, de zoon52 van Tokhath, de zoon van Hasra, de53 klederbewaarder. Zij nu woonde te Jeruzalem in het54 tweede deel; en zij spraken55 dat tot haar.
23En zij zei tot hen: Zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Zegt de man, die u tot mij gezonden heeft:
24Zo zegt JAHWEH: Zie, Ik zal kwaad over deze plaats en over haar inwoners brengen; al de vloeken, die geschreven zijn in het boek, dat men voor het aangezicht van de koning van Juda gelezen heeft.
25Omdat zij58 Mij verlaten, en andere goden gerookt hebben, opdat zij Mij tot toorn verwekten met alle59 werken van hun handen; zo zal Mijn woede uitgegoten worden tegen deze plaats, en niet uitgeblust worden.
26Maar tot de koning van Juda, die u gezonden heeft, om JAHWEH te vragen, tot hem zult u zo zeggen: Zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Voor wat betreft de woorden, die u hebt gehoord;
27Omdat uw hart61 week geworden is, en u u voor het aangezicht van God vernederd hebt, als u Zijn woorden hoorde tegen deze plaats en tegen haar inwoners, en hebt u vernederd voor Mijn aangezicht, en uw kleren gescheurd, en geweend voor Mijn aangezicht, zo heb Ik u ook verhoord, spreekt JAHWEH.
28Zie, Ik zal u verzamelen tot uw vaderen, en u zult62 met vrede in uw63 graf verzameld worden, en uw ogen zullen al dat kwaad niet zien, dat Ik over deze plaats en over haar inwoners brengen zal. En zij brachten de koning dit antwoord weer.
29d Toen zond de koning heen, en verzamelde alle64 oudsten van Juda en Jeruzalem.
30En de koning ging op in het huis van JAHWEH, en al de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem, en ook de priesters en de Levieten, en al het volk, van de grote tot de kleine toe; en65 men las voor hun oren al de woorden van het boek van het verbond, dat in het huis van JAHWEH gevonden was.
31En de koning stond in zijn66 standplaats, ene maakte een verbond voor de aangezicht van JAHWEH, om JAHWEH na te wandelen, en om Zijn geboden, en Zijn67 getuigenissen, en Zijn voorschriften,68 met zijn hele hart en met zijn hele ziel, te onderhouden, doende de woorden van het verbond, die in dat boek geschreven zijn.
32En hij69 deed allen, die te Jeruzalem en in Benjamin gevonden werden, staan; en de inwoners van Jeruzalem70 deden naar het verbond van God, de God van hun vaderen.
33Josia dan deed alle71 gruwelen weg uit alle landen, die van de kinderen van Israël waren, en72 maakte allen, die in Israël gevonden werden, te dienen; te dienen JAHWEH, hun God;73 al zijn dagen74 weken zij niet af75 van JAHWEH, de God van hun vaderen, na te volgen.