2 Kronieken 26
11a Toen nam het hele volk van Juda2 Uzzia (die nu3 zestien jaren oud was), en maakte hem koning in de plaats van zijn vader Amazia.
2b Dezelfde bouwde4 Eloth, en bracht ze weer aan Juda, nadat de koning met zijn vaderen ontslapen was.
3c Zestien jaren was Uzzia oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Jecholia, van Jeruzalem.
4En hij5 deed dat recht was in de ogen van6 JAHWEH, naar alles, wat zijn vader Amazia gedaan had.
5Want7 hij begaf zich om God te zoeken, in de dagen van Zacharia,8 die verstandig was9 in de visioenen Gods; in de dagen nu, dat hij JAHWEH zocht, maakte hem God voorspoedig.
6Want hij trok uit, en krijgde tegen de Filistijnen, en brak de muur van10 Gath, en de muur van11 Jabne, en de muur van12 Asdod; daartoe bouwde hij steden13 in Asdod, en onder de Filistijnen.
7En God hielp hem tegen de Filistijnen, en tegen de Arabieren, die te14 Gur-baal woonden, en tegen de15 Meunieten.
8En de16 Ammonieten gaven Uzzia geschenken; en17 zijn naam ging tot de ingang van Egypte, want hij sterkte zich18 ten hoogste.
9Daartoe bouwde Uzzia19 torens te Jeruzalem, aan de20 Hoekpoort en aan de21 Dalpoort, en aan22 de hoeken; en hij sterkte ze.
10Hij bouwde ook torens in23 de woestijn, en hieuw vele24 putten uit, omdat hij veel vee had, zowel in de laagten als in de effene velden; akkerlieden en wijngaardeniers op de bergen en op25 de vruchtbare velden; want hij was een liefhebber van de landbouw.
11Verder had Uzzia een26 heirkracht van geoefenden ten oorlog, uittrekkende ten heire bij benden, naar het getal van hun monstering,27 door de hand van Jeiël, de schrijver, en Mahaseja, de ambtman; onder28 de hand van Hananja, één van de vorsten van de koning.
12Het hele getal van29 de familiehoofden, van de strijdbare helden, was twee duizend en zeshonderd.
13En onder hun hand was een leger van driehonderd zeven duizend en vijfhonderd, die met strijdbare kracht30 zich ten oorlog oefenden, om de koning tegen de vijand te helpen.
14En Uzzia bereidde voor hen, voor het hele leger, schilden, en spiesen, en helmen, en pantsieren, en bogen, zelfs tot de31 slingerstenen toe.
15Hij maakte ook te Jeruzalem32 kunstige werken, bedenking van kunstige werkmeesters, dat zij op de torens en op de hoeken zijn zouden, om met pijlen en met grote stenen, te schieten;33 zo ging zijn naam tot verre toe uit, want hij werd34 wonderlijk geholpen, totdat hij35 sterk was.
16Maar als hij sterk geworden was, verhief zich zijn hart tot verdervens toe, en hij overtrad tegen JAHWEH, zijn God; want hij ging36 in de tempel van JAHWEH, om te roken op het reukaltaar.
17Maar Azaria, de37 priester, ging hem na, en met hem van JAHWEH priesters, tachtig kloeke mannen.
18En zij wederstonden de koning Uzzia, en zeiden tot hem:38 Het komt u niet toe, Uzzia, JAHWEH te roken, maar de priesters, Aärons zonen, die geheiligd zijn, om te roken; ga uit het39 heiligdom, want u hebt overtreden, en het zal u niet tot eer zijn40 van God JAHWEH.
1941 Toen werd Uzzia42 boos, en het reukwerk was in zijn hand, om te roken; als hij nu boos werd tegen de priesters, rees de melaatsheid op aan zijn voorhoofd, voor het aangezicht van de priesters43 in het huis van JAHWEH, van boven het reukaltaar.
20Toen zag de44 hoofdpriester Azaria op hem, en al de priesters en ziet, hij was melaats aan zijn voorhoofd, en zij stieten hem met van de haast van daar, ja hij zelf45 werd ook gedreven uit te gaan, omdat JAHWEH hem geplaagd had.
21d Zo was de koning Uzzia melaats tot aan de dag van zijn dood; en melaats zijnde, woonde46 hij in een afgezonderd huis, want hij was van het huis van JAHWEH47 afgesneden; Jotham nu, zijn zoon, was over het huis van de48 koning, richtende het volk van het land.
22Het overige nu van de geschiedenissen van Uzzia, de eerste en de laatste, heeft de profeet Jesaja, de zoon van Amos, beschreven.
23En Uzzia ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen,49 in het veld van de begrafenis, die van de koningen was; want zij zeiden: hij is melaats; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.