2 Kronieken 23

11 Maar in het2 zevende jaar versterkte zich Jojada, en nam de oversten van de honderden, Azarja, de zoon van Jeroham en Ismaël, de zoon van Johanan, en Azarja, de zoon van Obed, en Maaseja, de zoon van Adaja, en Elisafat, de zoon van Zichri, met zich in een verbond. 2Die trokken om in Juda, en verzamelden3 de Levieten uit alle steden van Juda, en de familiehoofden4 van Israël, en zij kwamen naar Jeruzalem. 3En die hele gemeente maakte een verbond in het huis van God, met de koning; en hij zei tot hen: Ziet, de zoon van de koning zal koning zijn, zoals JAHWEH van de zonen van David gesproken heeft. 4b Dit is de zaak, die u doen zult: een derde deel van u, die op de sabbat ingaan, van de priesters en van de Levieten, zullen tot poortwachters6 van de dorpelen zijn; 5En een derde deel zal zijn aan het huis van de koning; en een derde deel aan de7 Fundamentpoort; en8 al het volk zal in9 de voorhoven zijn van het huis van JAHWEH. 6Maar dat niemand kome in10 het huis van JAHWEH, dan de priesters en de Levieten, die dienen; die zullen ingaan, want zij zijn11 heilig; maar al het volk zal12 de wacht van JAHWEH waarnemen. 7De13 Levieten nu zullen de koning rondom omsingelen, een ieder met zijn wapenen in zijn hand; en die14 tot het huis inkomt, zal gedood worden; maar wees u bij de koning,15 als hij inkomt en16 uitgaat. 8En de Levieten en geheel Juda deden naar alles, wat de priester Jojada geboden had; en17 zij namen een ieder18 zijn mannen, die op de sabbat inkwamen, met degenen, die op de sabbat uitgingen; want de priester Jojada had aan de19 verdelingen geen verlof gegeven. 9Verder gaf de priester Jojada aan de oversten van de honderden de spiesen, en de rondassen, en de schilden,20 die van de koning David geweest waren, die in het huis van God waren. 10En hij21 stelde al het volk, en een ieder met zijn22 geweer in zijn hand, van de rechterzijde van het huis tot de linkerzijde van het huis, naar het altaar, en naar het huis, bij de23 koning24 rondom. 11Toen brachten zij de zoon van de koning25 voor, en zetten hem de26 kroon op, en gaven27 hem de getuigenis, en zij maakten hem koning; en Jojada en zijn zonen zalfden hem, en zeiden:28 De koning leve! 12Toen nu Athalia hoorde de stem van het volk, dat toeliep en de koning roemde, kwam zij tot het volk in het huis van JAHWEH. 13En zij zag toe; en ziet, de koning stond bij zijn pilaar, aan de ingang; en de oversten en de trompetten waren bij de koning; en al het volk van het land was blij, en blies met de trompetten; en de zangers waren er met muzikale instrumenten, en gaven te kennen, dat men lofzingen zou; toen verscheurde Athalia haar kleren, en zij riep: Verraad, verraad! 14Maar de priester Jojada bracht de oversten van de honderden, die over het leger gesteld waren, uit, en zei tot hen: Brengt ze uit tot buiten de ordeningen, en die haar volgt, zal met het zwaard gedood worden; want de priester had gezegd: U zult ze in het huis van JAHWEH niet doden. 15En37 zij leiden de handen aan haar, en zij ging38 naar de ingang van de Paardenpoort, naar het huis van de koning; en zij doodden ze daar. 16En Jojada maakte een verbond tussen39 Hem, en tussen al het volk, en tussen de koning, dat zij JAHWEH tot een volk zouden zijn. 17c Daarna ging al het volk in het huis van Baäl, en braken dat af; en zijn altaren en zijn beelden verbraken zij, en Matthan, de priester vand Baäl, sloegen zij dood voor de altaren. 18Jojada nu bestelde de ambten in het huis van JAHWEH, onder de hand van de Levietische priesters,e die David in het huis van JAHWEH afgedeeld had, om de brandofferen van JAHWEH te offeren, zoals in def wet van Mozes geschreven is, met blijdschap en met gezang,40 naar de instelling van David. 19En hij stelde de poortwachters aan de poorten van het huis van JAHWEH, opdat niemand, in enig ding onrein zijnde, inkwame. 20En hij nam de oversten van de honderden, en de41 machtigen, en die heerschappij hadden onder het volk, en al het volk van het land, en bracht de koning van het huis van JAHWEH af, en zij kwamen door het midden42 van de hoge poort in het huis van de koning; en zij zetten de koning op de troon van het koninkrijk. 21En al het volk van het land was blij, en de stad werd stil, nadat zij Athalia met het zwaard gedood hadden.