2 Kronieken 15

11 Toen kwam de Geest van God op Azaria, de zoon2 van Oded. 2En hij ging uit, Asa tegen, en hij zei tot hem: Hoort mij, Asa, en geheel Juda, en Benjamin! JAHWEH is met u, terwijl u met Hem bent; en zo u Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar zo u Hem verlaat, Hij zal u verlaten. 311c Israël nu is vele dagen geweest zonder de12 waren God, en zonder een lerenden priester, en zonder de wet. 4d Maar als zij zich in hun nood bekeerden tot JAHWEH, de God van Israël, en Hem zochten, zo werd Hij van hen gevonden. 5En in die tijden13 was er geen vrede voor dengene,14 die uitging, en dengene, die inkwam; maar vele15 beroerten waren over al de inwoners van16 die landen; 617 Dat volk tegen volk, en stad tegen stad in stukken gestoten werden; want God had18 hen met alle angst verschrikt. 7Daarom19 wees u sterk, en laat20 uw handen niet verslappen; want er is21 loon naar uw werk. 8Als nu Asa deze woorden hoorde, en de profetie van de22 profeet Oded, sterkte hij zich, en hij deed weg de23 verfoeiselen uit het hele land van Juda en Benjamin, en uit de24 steden, die hij van het gebergte van Efraïm genomen had, en vernieuwde het25 altaar van JAHWEH, dat voor het26 voorhuis van JAHWEH was. 9En hij verzamelde27 het hele Juda en Benjamin, en de vreemdelingen met hen uit Efraïm, en Manasse, en uit Simeon; want uit Israël28 vielen zij tot hem in menigte, als zij zagen, dat JAHWEH, zijn God, met hem was. 10En zij verzamelden zich te Jeruzalem, in29 de derde maand, in het vijftiende jaar van het koninkrijk van Asa. 11En zij offerden JAHWEH op diezelfde dag van de roof, die30 zij gebracht hadden, zevenhonderd runderen en zeven duizend schapen. 12En31 zije traden in een verbond, dat zij JAHWEH, de God van hun vaderen, zoeken zouden32 met hun hele hart en met hun hele ziel. 13En al wie JAHWEH, de God van Israël, niet zou zoeken,f zou gedood worden, van de kleine tot de grote, en van de man tot de vrouw toe. 14En zij zwoeren JAHWEH met33 luide stem en met34 gejuich, evenzo met trompetten en met bazuinen. 15En geheel Juda was verblijd over deze eed; want zij hadden35 met hun hele hart gezworen, en met hun gansen wil Hem gezocht; en36 Hij werd van hen gevonden, en JAHWEH gaf hun rust rondom heen. 16Voor wat betreft Maächa, de37 moeder van de koning Asa,38 hij zette haar af, dat zij geeng koningin was, omdat zij een39 afgrijselijken afgod in een bos gemaakt had; ook roeide Asa haar afgrijselijken afgod uit, en verbrijzelde en verbrandde hem aan de beek40 Kidron. 1741 De hoogten werden wel niet weggenomen uit42 Israël, het hart van Asa toch was43 volkomen al zijn dagen. 18En hij bracht in het huis van God44 de geheiligde dingen van zijn vader, en zijn geheiligde dingen, zilver en goud, en voorwerpen. 19En er was45 geen oorlog tot in het vijf en46 dertigste jaar van het koninkrijk van Asa.