2 Korintiërs 1
Boekinleiding
lees meer ▾
IN deze brief verdedicht de Apostel in het bijzonder zijn Leer, en zijn Apostelschap, tegen de voorgevingen en lasteringen van de valse Apostelen. En na een korte inleiding begrepen in de 7 eerste ver...
IN deze brief verdedicht de Apostel in het bijzonder zijn Leer, en zijn Apostelschap, tegen de voorgevingen en lasteringen van de valse Apostelen. En na een korte inleiding begrepen in de 7 eerste versen van ’t eerste Hoofdstuk, verklaart hij in de reste van ’t Hoofdstuk, waarom hij, volgens zijn belofte in den voorgaanden brief gedaan, tot haar noch niet en was gekomen: naamlijk niet uit enige lichtveerdigheid, maar van wegen de zware vervolgingen, die hem in Azië hadden gedrukt: en omdat hij haar tijt wilde geven, de gebreken die hij in haar berispt had, te beteren: opdat hij alzo in vriendelikheid bij haar mochte zijn. In het 2 Capit. geeft hij reden van zijn hard schrijven over het dulden van de bloed-schenders, en vermaand haar dat zij de zelf, omdat zijn leetwesen en Goddelijke verdriet, weer zouden troosten en aan-nemen. In het 3 Capit. stelt hij een onderscheid tusschen de leer van de valscher Apostelen, die de Wet dreven, welke hij een dood-slaande letter noemt, en zijn leer die een leer van de levens, en een dienst van de Geest is. In ’t 4 Capit. verklaart hij dat zij dit onderscheid onder haar sodanich hadden bevonden, en dat zijn Evangelie niet bedekt en was dan voor die die verloren gaan: en bewijst met zijn exempel hoe krachtig de Geest CHRISTUS door dit woord van de kruises is, om alle zwarigheden met lijdtsaamheid te verdragen. In het vijfde Hoofdstuk betuigt hij dat wij door de zelf Leer en Geest CHRISTUS beweecht worden, om deze aardtschen tabernakel gewillig af te leggen, en na een beter leven te verlangen: en stelt tot een fondament van dit verlangen de Leer onser verzoening met God door de dood CHRISTUS, waarvan d’Apostelen bootschappers waren. Waar uit hij in het 6 Capit. zeer ernstige en krachtige vermaningen trekt tot lijdsaamheid en Godsvrucht: en stelt de zelf in zijn persoon voor, haar in het ein de waarschouwende tegen de gemeenschap met de ongeloovigen en afgoden-dienaars. In ’t 7 Capit. betuigt hij de vergenoeging, die hij ontvangen heeft in zijn gemoet, wanneer hij verstaan heeft hoe zij zijn vermaning ten deele hadden aangenomen, en over de vorige gebreken leetwesen hadden getoont. In ’t 8 en 9 Hoofdstuk handelt hij in ’t breede van de hand-reikingen en aalmoezen, uit wat grond die moeten voortkomen, en waar toe zij moeten gericht worden. En in ’t 10 Hfst. van zijn geestelijke macht, die hij niet tot verbreking maar tot stichting had ontvangen: waarbij hij voecht een Apostolische roem, betoonende dat de valse Apostelen nergens over en konden roemen, daar hij niet overvloediger en konde over roemen, en dat hij daarin boven haar veel voordeelen had, tot het ein de van de 11 Capit. In ’t 12 Capit. spreekt hij van de sonderling openbaringen, die hem van CHRISTUS in de derden hemel gedaan waren, en betuigt dat hem daarom een engel Satan in zijn vlees was gegheven tot zijn vernedering: verklarende voorder hoe hij onder haar had gewandelt, als een getrouw Apostel CHRISTUS, zonder hem zelf ergens in te zoeken. Hij waarschouwt eindelijk in het 13 Capit. de gene die tegen zijn vermaningen zouden hartnekkig zijn, en dreigt ze met zijn Apostolische macht, zo zij haar niet en bekeerden. Besluit daarna in de drie laatste versen zijn brief met een toe-wensching alles goets, en met de gewoonlijke Apostolische groete, en ook met een ernstich gebed voor haar.
11 Paulus, een apostel van Jezus Christus, door de wil van God, en2a Timotheüs, de broeder, aan de Gemeente van God, die te Korinthe is, met al de heiligen, die in geheel3 Achaje zijn:
2b Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heere Jezus Christus.
3c Geloofd zij4 de God en Vader van onze Heere Jezus5 Christus, de Vader van de barmhartigheden, en de God van alle vertroosting;
4d Die ons6 vertroost in al onze verdrukking, opdat wij zouden kunnen troosten degenen, die in allerlei verdrukking zijn, door de troost, met welke wij zelf van God vertroost worden.
5e Want zoals7 het lijden van Christus overvloedig is in ons, zo is ook door Christus8 onze troost overvloedig.
6Maar hetzij dat wij verdrukt worden,9 het is tot uw troost en zaligheid,f die10 gewerkt wordt in de volharding van hetzelfde lijden, dat wij ook lijden; hetzij dat wij vertroost worden,11 het is tot uw troost en zaligheid;
7En onze hoop12 van u is vast, als die weten, dat, zoals u gemeenschap hebt aan het lijden, u ook zo gemeenschap hebt aan de troost.
813 Want wij willen niet, broeders, dat u onwetend bent van onze verdrukking,g die ons in Azië overkomen is, dat wij uitnemend zeer bezwaard zijn geweest14 boven onze macht, zo dat wij zeer in twijfel waren, ook van het leven.
9Ja, wij hadden al zelf15 in onszelf het vonnis van deh dood, opdat wij niet op onszelf vertrouwen zouden, maar op God,16 Die de doden verwekt;
10i Die ons17 uit zo grote dood verlost heeft, en nog verlost; op Welke wij hopen, dat Hij ons ook nog verlossen zal.
11k Zo u ook medearbeidt voor ons door hetl gebed, opdat over18 de gave,19 door vele personen aan ons teweeggebracht ook voor ons20 dankzegging door velen gedaan wordt.
12Want21 onze roem is deze, namelijk de getuigenis van ons geweten, dat wij in eenvoud en22 oprechtheid van God, niet in23 vleselijke wijsheid, maar24 in de genade van God, in de wereld verkeerd hebben, en25 allermeest bij u.
13Want wij schrijven u geen andere dingen, dan die u26 kent, of ook erkent; en ik hoop, dat u ze ook tot het einde toe erkennen zult;
14Zoals u ook27 ten dele ons erkend hebt, dat wij28 uw roem zijn,m zoals u ook29 de onze bent,30 in de dag van de Heere Jezus.
15n En31 op dit betrouwen32 wilde ik te voren tot u komen, opdat u33 een tweede genade zou hebben;
16En door uw stad naar Macedonië gaan, en opnieuw van Macedonië tot u komen, en34 van u naar Judea geleid worden.
17Als ik dan dit voorgenomen heb, heb ik ook lichtvaardigheid gebruikt? Of neem ik het35 naar het vlees voor, wat ik voorneem, opdat bij mij zou wezen,36 ja, ja, en nee, nee?
18Maar37 God is getrouw, dat38 ons woord, dat tot u iso geschied, niet is geweest39 ja en nee.
19Want de Zoon van God, Jezus Christus, Die onder u door ons is gepredikt, namelijk door mij, en Silvanus, en Timotheüs,40 was niet ja en nee, maar is geweest ja41 in Hem.
20Want zovele beloften van God als er zijn, die zijn42 in Hem ja, en zijn in Hem amen, voor God tot heerlijkheid43 door ons.
21Maar Die ons met u44 bevestigt45 in Christus, en Die ons46 gezalfd heeft, is God;
22p Die ons ook heeft47 verzegeld, en48 het onderpand van de Geest in onze harten gegeven.
23q Maar ik roep God aan tot een Getuige49 over mijn ziel, dat ik,50 om u te sparen, nog te Korinthe niet ben gekomen.
24r Niet dat wij51 heerschappij voeren over uw geloof, maar wij zijn medewerkers van uw blijdschap; want u staat door het geloof.