1 Tessalonicenzen 4

11 Verder dan, broeders, wij bidden en vermanen u2 in de Heere Jezus, zoals u van ons3 ontvangen hebt,a hoe u moet wandelen en voor God behagen, dat u daarin meer overvloedig wordt. 2Want u weet,4 wat bevelen wij u gegeven hebben5 door de Heere Jezus. 3b Want dit is6 de wil van God,7 uw heiligmaking: dat u u onthoudt van de hoererij; 4Dat ieder van u wete8 zijn lichaam te bezitten in heiligmaking en9 eer; 5Niet in10 kwade beweging van de begeerlijkheid, zoals de heidenen,c die God11 niet kennen. 6Dat niemand zijn broeder12 vertrede, noch13 bedriege in zijn handeling; want de Heere is een wreker over dit alles, zoals wij u ook te voren gezegd en betuigd hebben. 7Want God heeft ons niet geroepen tot14 onreinheid,d maar tot heiligmaking. 8e Zo dan die15 dit verwerpt, die verwerpt16 geen mens, maar God,f Die ook Zijn Heilige Geest17 in ons heeft gegeven. 9g Van de broederlijke liefde nu hebt u niet nodig, dat ik u schrijve; want u zelf bent18 van God geleerd om elkaar lief te hebben. 10Want19 u doet ook hetzelfde aan al de broeders, die in geheel Macedonië zijn. Maar wij vermanen u, broeders, dat u meer overvloedig wordt; 11h En dat u20 u beijvert stil te zijn, en uw eigen dingen te doen,i en te werken21 met uw eigen handen, zoals wij u bevolen hebben; 12Opdat u22 eerlijk wandelt bij degenen,23 die buiten zijn, en24 geen ding nodig hebt. 13Maar, broeders, ik wil niet, dat u onwetend bent van degenen,25 die ontslapen zijn,k opdat u niet bedroefd bent,26 zoals de anderen,27 die geen hoop hebben. 14Want als wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, zo zal ook God degenen, die ontslapen zijn28 in Jezus,29 weer brengen30 met Hem. 15Want dat zeggen wij u31 door het Woord van del Heere, dat32 wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst van de Heere, niet zullen33 voorkomen degenen, die ontslapen zijn. 16m Want de Heere Zelf zal met34 een geroep, met35 de stem36 van de aartsengel, en met de bazuin van God nederdalen van de hemel; en die37 in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; 17Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen samen met hen38 opgenomen worden39 in de wolken, de Heere tegemoet, in40 de lucht; en zo zullen wij altijd41 met de Heere wezen. 18Zo dan, vertroost elkaar42 met deze woorden.