1 Kronieken 20
11 Het gebeurde nu ten tijde van de wederkomst van het jaar, ten tijde als de koningen2 uittrokken, zo voerde Joab de heirkracht, en hij verdierf het land van de kinderen Ammons; en hij kwam, en belegerde3 Rabba; maar David bleef te Jeruzalem. En Joab sloeg Rabba, en4 verwoestte ze.
25 En David nam de kroon van hun koning van zijn hoofd, en hij bevond haar in gewicht een talent gouds, en daar was edelgesteente aan; en zij werd op Davids hoofd gezet,6 en hij voerde zeer veel roofs uit de stad.
3Hij voerde ook al het volk uit, dat daarin was, ena hij zaagde ze met de zaag, en met ijzeren dorswagens,7 en met bijlen; en zo deed David aan al de steden van de kinderen Ammons. Toen keerde David opnieuw met al het volk naar Jeruzalem.
4En het gebeurde daarna, als de oorlog met de Filistijnen te8 Gezer opstond, toen sloeg Sibchai, de Husathiet,9 Sippai, die van de kinderen10 van Rafa was; en11 zij werden ten ondergebracht.
5Daarna was er nog een strijd tegen de Filistijnen, en Elhanan, de zoon12 van Jaïr, versloeg Lachmi, de broer van Goliath, de Gethiet, wiens spieshout was als een weversboom.
6Daarna was er nog een strijd te Gath; en daar was13 een zeer lang man, en14 zijn vingeren waren zes en zes, vier en twintig, en hij was ook van Rafa geboren;
7En15 hij hoonde Israël, maar Jonathan, de zoon16 van Simea, de broer van David, versloeg hem.
8Deze waren van Rafa geboren te Gath; en17 zij vielen door de hand van David, en door de hand van zijn knechten.