1 Kronieken 18

11 Het gebeurde nu na deze, dat David de Filistijnen sloeg, en hen ten onder bracht; en hij nam Gath, en haar onderhorige plaatsen, uit van de Filistijnen hand. 2Hij sloeg ook de Moabieten, zo dat de Moabieten Davids knechten werden,2 brengende geschenken. 3David sloeg ook3 Hadar-ezer, de koning van Zoba, naar Hamath toe, toen4 hij heentoog, om5 zijn hand te stellen aan de rivier Frath. 4En David nam hem duizend wagens af, en zeven6 duizend ruiters, en twintig duizend man te voet; en David ontzenuwde al de wagenpaarden; maar7 hij behield honderd wagens daarvan over. 5En de Syriërs van8 Damascus kwamen, om Hadar-ezer, de koning van Zoba, te helpen; maar David sloeg van de Syriërs twee en twintig duizend man. 6En David legde9 bezetting in Syrië van Damascus, zo dat de Syriërs Davids10 knechten werden, geschenken brengende. En JAHWEH11 behoedde David overal, waar hij heenging. 7En David nam de gouden schilden,12 die bij Hadar-ezers knechten waren, en hij bracht ze te Jeruzalem. 8Ook nam David zeer veel kopers uit13 Tibchath, en uit Chun, steden van Hadar-ezer; daarvan heeft Salomo de koperen14 zee, en de pilaren, en de koperen voorwerpen gemaakt. 9Toen Thou, de koning van Hamath, hoorde, dat David de hele heirkracht van Hadar-ezer, de koning van Zoba, geslagen had; 10Zo zond hij zijn zoon15 Hadoram tot de koning David,16 om hem naar zijn welstand te vragen, en om hem te zegenen, vanwege dat hij met Hadar-ezer gestreden, en hem verslagen had17 (want Hadar-ezer voerde oorlog tegen Thou), en18 alle gouden, en zilveren, en koperen voorwerpen; 1119 Deze heiligde de koning David ook JAHWEH, met het zilver en het goud, dat hij medegebracht had van al de heidenen: van de Edomieten, en van de Moabieten, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen, en van de Amalekieten. 12Ook sloeg20 Abisai, de zoon21 van Zeruja,22 de Edomieten in het Zoutdal, achttien duizend. 13En hij legde bezetting in Edom, zodat al de Edomieten Davids knechten werden; en JAHWEH behoedde David overal, waar hij heenging. 14Zo regeerde David over geheel Israël, en hij deed zijn hele volk23 recht en gerechtigheid. 15Joab nu, de zoon van Zeruja, was over het leger; en Josafat, de zoon van Ahilud, was24 kanselier; 16En Zadok, de zoon van Ahitub, en25 Abimelech, de zoon van Abjathar, waren priesters, en26 Sausa schrijver; 17En Benaja, de zoon van Jojada, was over de Krethi en Plethi; maar de zonen van David waren27 de eerste aan de hand van de koning.