1 Kronieken 10
11 En de Filistijnen streden tegen Israël, en de mannen van Israël vluchtten voor het aangezicht van de Filistijnen, en zij vielen verslagen op het2 gebergte Gilboa.
2En de Filistijnen hielden dicht achter Saul aan en achter zijn zonen; en de Filistijnen sloegen Jonathan, en Abinadab, en Malchi-sua, de zonen van Saul.
3En de strijd werd zwaar tegen Saul, en de schutters met de bogen troffen hem aan; en3 hij vreesde zeer voor de schutters.
4Toen zei Saul tot zijn wapendrager: Trek uw zwaard uit en doorsteek mij daarmede, dat misschien deze onbesnedenen niet komen, en met mij de spot drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer. Toen nam Saul het zwaard, en viel daarin.
5Toen zijn wapendrager zag, dat Saul dood was, zo viel hij ook in het zwaard en stierf.
6Zo stierf Saul en zijn drie zonen; ook5 zijn hele huis is tegelijk gestorven.
7Als al de mannen van Israël, die in het dal waren, zagen, dat zij gevlucht waren, en dat Saul en zijn zonen dood waren, zo verlieten zij hun steden, en zij vluchtten. Toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin.
8Het gebeurde nu op de andere dag, als de Filistijnen kwamen om de verslagenen te plunderen, zo vonden zij Saul en zijn zonen, liggende op het gebergte Gilboa.
9En zij plunderden hem, en zij namen zijn hoofd en zijn wapenen, en zij zonden ze in het land van de Filistijnen rondom, om dit te boodschappen aan hun afgoden, en aan het volk.
10a En zij leiden zijn wapenen in het huis van hun god; en6 zijn hoofd hechtten zij in het huis van Dagon.
11Als geheel7 Jabes in Gilead hoorde alles, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden,
12Zo maakten zich alle strijdbare mannen op, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen van zijn zonen, en zij brachten ze te Jabes; en8 zij begroeven hun beenderen onder een eikenboom te Jabes, en9 zij vastten10 zeven dagen.
13Zo stierf Saul,11 in zijn overtreding, waarmee hij overtreden had12 tegen JAHWEH, tegen het woord van JAHWEH dat hij niet gehouden had; en ook omdatb hij13 de waarzegster gevraagd had, haar zoekende,
14En JAHWEH niet gezocht had; daarom doodde Hij hem, en keerde het koninkrijk tot David, de zoon van Isaï.