1 Korintiërs 1
Boekinleiding
lees meer ▾
ALZO de Apostel tot Korinthe, de hoofdstad van Achaje, door CHRISTI bevel, omtrent anderhalf jaar stil was geweest, en aldaar een grote Gemeente geplant had, Hand. 18:9, 10, 11. zo is hij van daar voo...
ALZO de Apostel tot Korinthe, de hoofdstad van Achaje, door CHRISTI bevel, omtrent anderhalf jaar stil was geweest, en aldaar een grote Gemeente geplant had, Hand. 18:9, 10, 11. zo is hij van daar voort getrokken om ook in andere steden van Azië CHRISTUS te prediken, en na een merkelijken tijd, nu Zoals blijkt uit 1.Corinth. 16:8. te Ephesen zijnde, heeft hij aldaar verstaan uit enige van het Huis-gesin Chloës, 1.Corinth. 1:11. datter oneenigheid in de Gemeente ontstaan was. Heeft ook van de Corintheren zelf een brief ontvangen, 1.Corinth. 7:1. waarin zij advijs van de Apostel hebben begeert over enige zwarigheden in haar Gemeente geresen: waarop hij in deze brief antwoort: Eerstelijk dan, na een korte inleiding in de eerste 9 versen deze briefs, berispt hij haar, in de reste van het eerste en in de drie volgende Hoofdstukken, over de oneenigheid die onder haar was geresen, insonderheid door de hoogmoed en curieusheid van enige Leraren, die met haar welsprekenheid en menselijke Filosofie pronkten, en de eenvoudigheid van de Evangelie verbastaardden, en in Paulus verachteden. Daar na bestraft hij haar in ’t 5. Capit. over het dulden van een bloed-schender in haar Gemeente: en schrijft haar voor hoe zij de Kerkelijken tucht tegen hem en andere ergerlijke broeders gebruiken sullen. In het 6 Capit. vermaand hij haar, dat zij de geschillen, die zij in wereldse zaken onder elkaar hadden, niet en sullen brengen voor de ongeloovige Overheid, maar dat zij die onder elkaar in het vriendelijk sullen afdoen: en berispt haar van wegen de hoererie, die onder haar noch gepleecht wierd. In het 7 Capit. begint hij de vragen te beantwoorden, die zij hem schriftelijk hadden voorgestelt, en eerst aangaande de maaghdelijken en weduwelijken staat, en het houwelijk. Daar na in het 8 Hoofdstuk handelt hij van de dingen, die de Afgoden waren geoffert. In ’t 9 Capit. van het onderhoudt van de Kerken-dienaren. In ’t 10 Capit. opnieuw van het vluchten van de afgoderij en afgoden- offer. In ’t 11 Capit. berispt hij enige misbruiken die in haar Vergaderingen, in de kleeding van de vrouwen, en in ’t gebruik van de avondmaals waren in-gekropen: en richt die na CHRISTUS insetting. In de 12. 13. en 14. Capit. spreekt hij van het recht gebruik van de geestelijke gaven, die de H. Geest verscheidelijk onder de Gemeente uitdeelde, en in het bijzonder van de gave van de Profetie, en van de vremde talen. In ’t 15 Hfst. handelt hij van de sekerheid van de opstanding uit de doden, en verklaart in ’t breede hoe die zal geschieden. En na dat hij in ’t begin van het 16 Capit. gesproken had van de handreiking, die de Griekse Gemeenten vergaderden voor de arme geloovige in Iudea, besluit hij deze brief met enige vermaningen en groetenissen aan haar.
11 Paulus, een geroepen apostel van Jezus Christus, door de wil van God, en2 Sosthenes,3 de broeder,
2Aan de Gemeente van God, die te4 Korinthe is,5a de geheiligden in Christus Jezus,6b de geroepen heiligen,c met allen, die de Naam van onze Heere Jezus Christus7 aanroepen in alle plaats, zowel hun als onze Heere;
38d Genade zij u en vrede van God onze Vader, en de Heere Jezus Christus.
4Ik dank9 mijn God alle tijd over u, vanwege de genade van God, die u gegeven is10 in Christus Jezus;
5e Dat u11 in alles rijk bent geworden in Hem,12 in alle rede en alle kennis;
6Zoals13 de getuigenis van14 Christus bevestigd is onder u;
7Zo dat het u15 aan geen gave ontbreekt,16f verwachtende de openbaring van onze Heere Jezus Christus.
8g Welke God u ook zal17 bevestigen tot het einde toe,18 om19 onstraffelijk te zijn in de dag van onze Heere Jezus Christus.
9h God is20 getrouw, door Welke u geroepen bent tot21i de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heere.
10Maar22 ik bid u, broeders,23 door de Naam van onze Heere Jezusk Christus, dat u24 allen hetzelfde spreekt, en dat onder u geen25 scheuringen zijn, maar26 dat u samengevoegd bent in eenzelfde27 zin, en in een zelfde gevoelen.
11Want mij is van u bekend gemaakt, mijn broeders, door die van28 het huisgezin van Chloe zijn, dat er twisten onder u zijn.
12En dit zeg ik, dat ieder van u zegt: Ik ben van Paulus, en ik van Apollos; en ik van Cefas; en ik van Christus.
1333 Is Christus gedeeld? Is Paulus voor u gekruist? Of bent u34 in Paulus naam gedoopt?
14Ik dank God, dat ik niemand van u gedoopt heb, dan Krispus en Gajus;no
15Opdat niet iemand zegge, dat ik in mijn naam gedoopt heb.
16Maar ik heb ook het huisgezin vanp Stefanus gedoopt; verder weet ik niet, of ik iemand anders gedoopt heb.
17Want Christus heeft mij35 niet gezonden, om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen;36q niet met wijsheid van37 woorden, opdat38 het kruis van Christus niet39 verijdeld wordt.
18Want40 het woord van het kruis is wel van hen, die verloren gaan,41 dwaasheid;r maar ons, die behouden worden, is het42 een kracht van God;
19Want er is geschreven:s Ik zal de wijsheid43 van de wijzen doen vergaan, en het verstand van de verstandigen zal Ik te niet maken.
20t Waar is44 de wijze? Waar is de schriftgeleerde? Waar is de onderzoeker van deze eeuw? Heeft God45 de wijsheid van deze wereld niet46 dwaas gemaakt?
21v Want aangezien,47 in de wijsheid van God, de wereld God48 niet heeft gekend49 door de wijsheid, zo heeft het voor God behaagd, door50 de dwaasheid van de prediking, zalig te maken, die geloven;
22Omdatx de Joden51 een teken begeren, en de Grieken52 wijsheid zoeken;
23Maar wij prediken Christus, de Gekruisigde,y de Joden wel53 een struikelblok, en de Grieken54 een dwaasheid;
24Maar hun,55 die geroepen zijn, zowel Joden als Grieken,56 prediken wij Christus, de kracht van God, enz de wijsheid van God.
25Want57 het dwaze van God is wijzer dan de mensen; en58 het zwakke van God is sterker dan de mensen.
26Want59 u ziet uw roeping, broeders,a dat u niet vele wijzen60 bent naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele edelen.
27Maar61 het dwaze van de wereld heeft God62 uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke van de wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke63 zou beschamen;
28En het onedele van de wereld, en het verachte heeft God uitverkoren, en64 wat niets is, opdat Hij65 wat iets is,66 te niet zou maken;
29Opdat67 geen vlees zou roemen voor Hem.
30Maar68 uit Hem bent u69 in Christus Jezus,b Die ons geworden is70 wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en71 verlossing;
31Opdat het zij, zoals geschreven is:c Die roemt,72 roeme in de Heere.