1 Koningen 1

Boekinleiding lees meer ▾ IN dit Boek, en het volgende, is beschreven de Historie van de Koningen die het volk Gods geregeerd hebben van David af, tot op de Babylonische gevangenis. Daarom worden zij genoemd het eerste, en twe...
IN dit Boek, en het volgende, is beschreven de Historie van de Koningen die het volk Gods geregeerd hebben van David af, tot op de Babylonische gevangenis. Daarom worden zij genoemd het eerste, en tweede Boek van de Koningen. Het Eerste wordt aangevangen met het verhaal van de krankheid, en het overlijden van de Konings Davids: waarop gevolgt is de regering zijn zons Salomo, die na dat hij van zijn vader goede vermaning, om zijn leven wel te schikken, en wijse order, om zijn rijke te bevestigen, ontvangen had, en van God vereert was met zijn aansprake: ook gezegent wiert in zijn perzone, met wijsheid, rijkdom, eere; en in zijn Land, met vrede, trafijke, en overvloet van alle dingen. Order in zijn Hof, en Huis gesteld hebbende, bouwt en heiligt hij de JAHWEH een Tempel, maakt daarbeneven enige Koninklijke gestichten. Hij wordt zo vermaart, dat hij statelijk besocht, en vereert wordt van de Coninginne van Scheba, en van de omliggende volkeren, met aanbieding van vrientschap, en met geschenken. Maar daarna door het nemen van vele heidense vrouwen tot afgoderij vervallen zijnde, vertoornt hij God, die hem vijanden verwekt, en door zijn Profeet Ahia laat aanseggen, de verscheuring zijn rijks. Deze nu is geschied, als zijn zon Rehabeam door onwijsen raat, tien stammen van zich vervreemt heeft; die Ierobeam de zoon Nebats tot haar Koning aangenomen hebben. Rehabeam heeft niet dan Iuda behouden met een deel van Benjamin. Hem wordt ook van God verboden de afgevallene stammen door gewelt van wapenen, Zoals hij voor had, weer aan zich te brengen. Om zijn, en van de volks zonden wordt door Sisak de Koning van Egypte de Tempel Jeruzalems berooft. Zijn zon Ahiam volgt hem na in zijn rijke, en in zijn zonden: maar Asa, en Iosaphat godtvruchtich zijnde, reformeerden de godsdienst. Wat aangaat de Koningen, die na de verdeling van de stammen, over Israël geregeerd hebben, van de welke in dit eerste boek gesproken wordt; die zijn alle afgoden-dienaren geweest, die de ware religie door afgodise grouwelen verdorven hebben. Want Ierobeam, boven het oprichten van twee gulden Calveren, heeft bij na de gantschen Gods-dienst verandert, en na zijn fantasie Priesters ingestelt: waardoor hij de tien stammen van de ware religie, en van de rechte godsvrucht heeft afgekeert. Zijn navolgers hielden zijn voetstappen; maar Achab in het bijzonder. Want beneven de afgoderij, daarin hij de voorgaande Koningen te boven gink, heeft hij tegen de ware geloovige, die noch in zijn rijke overgebleven waren, grote tirannie bedreven. Uit zulke oorsaken is de scepter Israëls niet in een geslacht gebleven, Zoals wel in Iuda, maar door schrikkelijke beroerten, en wreede bloetstortingen nu en dan tot andere vervoert. Hoe wel nu de vermaningen van de Profeten Ahia, Semaja, Addo, AZaria, Iehu, Anani, Elia, en Micha van God uitgesonden, om die afvallige Israëlieten tot bekering te roepen, niet en ontbraken, zo zijnse nochtans omtrent de meeste menigte vruchteloos geweest, zelfs ook als door uitnemend mirakelen becrachtiget waren. In Iuda was de waarheid van de leer, en de suiverheid van de Gods-dienst vaster ingewortelt; omdat de vroome Koningen met de Profeten daar aan de hant gehouden, en het vervallene weer met zonderlingen ijver opgericht hebben. Over sulcx hebben wij in dit boek, als ook in ’t volgende, een zeer schoon tafereel, waarin ons levendig afgeschildert is de veranderlijke conditie, die de sichtbare kerk in deze wereld onderworpen is, en de onveranderlijke trouwe, die God aan zijn uitvercoren overblijfsel, meest voor van de Mensen oogen onsichtbaar, nooit opgehouden en heeft te bewijzen. Dit boek begrijpt de geschiedenissen van 118 jaren: waarvan 40 behoren tot de regeering van Salomo, en 78 tot de regeering van de volgender Koningen van Iuda, en Israël; welverstaande wier historie in dit boek beschreven wordt.
1De koning David nu1 was oud,2 wel bedaagd; en zij dekten hem met kleren, maar3 hij kreeg geen warmte. 2Toen zeiden zijn4 knechten tot hem: Laat ze mijn heer de koning een jonge dochter, een maagd zoeken, die5 voor het aangezicht van de koning sta, en hem koestere; en6 zij slape in uw schoot, dat mijn heer de koning warm wordt. 3Zo zochten zij een schone jonge dochter in alle gebied van Israël; en zij vonden Abisag, een7 Sunamietische, en brachten ze tot de koning. 4En de jonge dochter was bovenmate schoon, en koesterde de koning, en diende hem; maar de koning bekende8 ze niet. 5Adonia nu, de zoon van Haggith, verhief zich, zeggende: Ik zal koning zijn; en hij bereidde zich wagens en ruiteren, en vijftig mannen, lopende voor zijn aangezicht. 6En zijn vader had hem niet bedroefd van zijn dagen, zeggende: Waarom hebt u zo gedaan? En ook was hij zeer schoon van gedaante, en Haggith had hem gebaard na Absalom. 7Enc zijn16 raadslagen17 waren met Joab, de zoon van Zeruja, en met Abjathar, de priester;18 die hielpen, volgende Adonia. 8Maar Zadok, de priester, en Benaja, de zoon van Jojada, en Nathan, de profeet, en Simeï, en Reï, en de helden, die David had, waren met19 Adonia niet. 9En Adonia20 slachtte21 schapen en runderen, en gemest vee bij de steen Zoheleth, die bij de fontein22 Rogeld is; en noodde al zijn broers, de zonen van de koning, en alle mannen van Juda, de knechten van de koning. 10Maar Nathan, de profeet, en Benaja, en de helden, en Salomo, zijn broer, noodde hij niet. 11Toen sprak Nathan tot Bathseba, de moeder van Salomo, zeggende: Hebt u niet gehoord, dat Adonia, de zoon van Haggith, koning is? En onze heer David weet dat niet. 12Nu dan, kom, laat mij u toch een raad23 geven, dat u uw ziel en de ziel van24 uw zoon Salomo redt. 13Ga heen, en treed in tot de koning David, en zeg tot hem: Hebt u niet, mijn heer koning, uw dienstmaagd gezworen, zeggende: Voorzeker, uw zoon Salomo zal na mij koning zijn, en hij zal op mijn troon zitten! Waarom dan is Adonia koning? 14Zie, als u daar nog met de koning spreken zult, zo zal ik na u inkomen, en zal uw woorden27 vervullen. 15En Bathseba ging in tot de koning in de binnenkamer; maar de koning was zeer oud, en Abisag, de Sunamietische, diende de koning. 16En Bathseba neigde het hoofd en boog zich neer voor de koning; en de koning zei: Wat is u? 17En zij zei tot hem: Mijn heer! u hebt uw dienstmaagd bij JAHWEH, uw God, gezworen: Voorzeker Salomo, uw zoon, zal na mij koning zijn, en hij zal op mijn troon zitten! 18En nu zie, Adonia is koning; en nu, mijn heer koning, u weet het niet. 19En hij heeft ossen, en gemest vee, en schapen in menigte geslacht, en uitgenodigd al de zonen van de koning, en Abjathar, de priester, en Joab, de oorlogsoverste, maar uw knecht Salomo heeft hij niet uitgenodigd. 20Maar u, mijn heer koning,31 de ogen van het hele Israël zijn op u, dat u hun zou te kennen geven, wie op de troon van mijn heer de koning na hem zitten zal. 2132 Anders zal het gebeuren, als mijn heer de koning met zijn vaderen zal33 ontslapen zijn, dat ik en mijn zoon Salomo34 als zondaars zullen zijn. 22En ziet, zij sprak nog met de koning, als de profeet Nathan inkwam. 23En zij gaven de koning te kennen, zeggende: Zie, de profeet Nathan is daar; en hij kwam voor het aangezicht van de koning, en boog zich voor de koning op zijn aangezicht ter aarde. 24En Nathan zei: Mijn heer koning! hebt u gezegd: Adonia zal na mij koning zijn, en hij zal op mijn troon zitten? 25Want hij is heden36 afgegaan, en heeft geslacht ossen, en gemest vee, en schapen in menigte, en heeft uitgenodigd al de zonen van de koning, en de oversten van het leger, en Abjathar, de priester; en zie, zij eten, en drinken voor zijn aangezicht, en zeggen:37 De koning Adonia leve! 26Maar mij, die uw knecht ben, en Zadok, de priester, en Benaja, de zoon van Jojada, en Salomo, uw knecht, heeft hij niet uitgenodigd. 27Is deze zaak van mijn heer de koning geschied? En hebt u uw knecht niet bekend gemaakt, wie op de troon van mijn heer de koning na hem zitten zou? 28En de koning David antwoordde en zei: Roept mij Bathseba; en zij kwam voor het aangezicht van de koning, en stond voor het aangezicht van de koning. 29Toen zwoer de koning, en zei: Zo waarachtig als JAHWEH leeft, die mijn ziel uit allen nood verlost heeft; 30Voorzeker, zoals ik u gezworen heb bij JAHWEH, de God van Israël, zeggende: Voorzeker zal uw zoon Salomo na mij koning zijn, en zal op mijn troon in mijn plaats zitten; voorzeker, zo zal ik op deze zelfde dag doen. 31Toen neigde zich Bathseba met het aangezicht ter aarde, en boog zich neer voor de koning, en zei: Mijn heer de koning David leve in eeuwigheid! 32En de koning David zei: Roep mij Zadok, de priester, en Nathan, de profeet, en Benaja, de zoon van Jojada; en zij kwamen voor het aangezicht van de koning. 33En de koning zei tot hen: Neemt met u de knechten van uw heren, en doet mijn zoon Salomo rijden op de muilezelin, die voor mij is; en voert hem af naar Gihon. 34En dat Zadok, de priester, met Nathan, de profeet, hem daar tot koning over Israël47 zalven. Daarna zult u met de bazuin blazen, en zeggen: De koning Salomo leve! 35Dan zult u achter hem optrekken, en hij zal komen, en zal op mijn troon zitten, en hij zal koning zijn in mijn plaats; want ik heb geboden, dat hij48 een voorganger zou zijn over Israël en over Juda. 36Toen antwoordde Benaja, de zoon van Jojada, de koning, en zei: Amen; zo zeg JAHWEH, de God van mijn heer de koning! 37Zoals JAHWEH met mijn heer de koning geweest is, zo zij Hij met Salomo; en Hij make zijn troon groter dan de troon van mijn heer de koning David! 38Toen ging Zadok, de priester, af, met Nathan, de profeet, en Benaja, de zoon van Jojada, en50 de Krethi en de Plethi, en zij deden Salomo rijden op de muilezelin van de koning David, en geleidden hem naar Gihon. 39En Zadok, de priester, nam de oliehoorn uit de tent, en zalfde Salomo; en zij bliezen met de bazuin, en al het volk zei: De koning Salomo leve! 40En al het volk kwam op achter hem, en het volk pijpte met pijpen, en verblijdde zich met grote blijdschap, zodat de aarde van hun geluid53 spleet. 41En Adonia hoorde het, en al de genodigden, die met hem waren, die nu geëindigd hadden te eten; ook hoorde Joab het geluid van de bazuinen, en zei: Waarom is het geroep van die stad, die in roer is? 42Als hij nog sprak, ziet, zo kwam Jonathan, de zoon van Abjathar, de priester; en Adonia zei: Kom in, want u bent een kloek man, en zult het goede boodschappen. 43En Jonathan antwoordde en zei tot Adonia: Ja, maar onze heer, de koning David, heeft Salomo tot koning gemaakt. 44En de koning heeft met hem gezonden Zadok, de priester, en Nathan, de profeet, en Benaja, de zoon van Jojada, en de Krethi en de Plethi; en zij hebben hem doen rijden op de muilezelin van de koning. 45Daartoe hebben hem Zadok, de priester, en Nathan, de profeet, in Gihon tot koning gezalfd, en zijn van daar blij58 opgetogen, zodat de stad in roer is; dat is het geroep, dat u gehoord hebt. 46En ook59 zit Salomo op de troon van het koninkrijk. 47Zo zijn ook de knechten van de koning gekomen, om onze heer, de koning David, te zegenen, zeggende: Uw God make de naam van Salomo beter dan uw naam, en make zijn troon groter dan uw troon; en de koning heeft aangebeden op de slaapstede. 48Ja, ook heeft de koning zo gezegd:63 Geloofd zij JAHWEH, de God van Israël, Die heden gegeven heeft een, zittende op mijn troon, dat het mijn64 ogen gezien hebben! 49Toen verschrikten en stonden op al de genodigden, die bij Adonia waren, en gingen ieder zijns weegs. 50Maar Adonia vreesde voor Salomo, en hij stond op, en ging heen, en65 vatte de hoornen66 van het altaar. 51En men maakte Salomo bekend, zeggende: Zie, Adonia vreest de koning Salomo, want zie, hij heeft de hoornen van het altaar gevat, zeggende: Dat de koning Salomo mij als heden zwere, dat hij zijn knecht met het zwaard niet doden zal! 52En Salomo zei: Als hij een vroom man zal zijn, daar zal niet van zijn haar op de aarde vallen; maar als in hem kwaad bevonden zal worden, zo zal hij sterven. 53En de koning Salomo zond heen, en zij deden hem afgaan van het altaar; en hij kwam, en boog zich neer voor de koning Salomo. En Salomo zei tot hem: Ga heen naar uw huis.