1 Johannes 1
Boekinleiding
lees meer ▾
DAT de Apostel en Evangelist Johannes, de zoon Zebedei en broeder Jakobi, Matth. 10:2. de discipel die de JAHWEH lief had Joh. 13:23. deze zendbrief geschreven heeft, en is nooit onder de Christenen i...
DAT de Apostel en Evangelist Johannes, de zoon Zebedei en broeder Jakobi, Matth. 10:2. de discipel die de JAHWEH lief had Joh. 13:23. deze zendbrief geschreven heeft, en is nooit onder de Christenen in twijfel getrokken. Het voornemen en oogh-merk, dat d’Apostel heeft in deze brief, is, Zoals hij zelf aanwijst Capit. 3:23. eensdeels de geloovige te versterken in de waarheid van de Evangelische Leer: en eensdeels haar te vermanen tot een Godtsalig leven, en in het bijzonder tot betrachting van liefde. Beide deze stukken worden onder elkaar alzo verhandeld, dat hij nu van het een stuk, dan van het ander spreekt. En eerst de sekerheid en nuttigheid van de Christelijke Leer voor-gesteld hebbende, wijst hij aan dat hij de zelf haar voor-houdt, op dat zij gemeenschap mogen hebben met God, welke CHRISTUS met zijn bloed ons verworven heeft, en die wij verkrijgen als wij onze zonden bekennende in hem gelooven, en in het licht wandelen, Capit. 1. Verklaart dat hij dit leert niet opdat wij daarop zondigen, maar tot troost van de sondaren. Vermaant ze tot onderhouding van het gebod van de liefde, Beide oude en jonge: maant af van de liefde van de wereld. Waarschouwt voor de Antichristen, of valse leraren, en vermaand dat zij haar door de zelf niet en laten verleiden. Hfst. 2. Vermaant ze voorders, terwijl zij kin deren Gods zijn, dat zij moeten heilighlijk leven en de zonde vluchten: en voornaamlijk elkaar lief hebben, niet met woorden alleen maar met van de daat. Capit. 3. Daar na dat zij haar van de valse leraren moeten wachten: en opnieuw dat zij elkaar lief hebben, Capit. 4. Leert wie zij zijn die uit God geboren zijn, en dat de liefde Gods en van de naasten niet en konnen gescheiden worden, en bewijst dat IESUS CHRISTUS de enige Salighmaker is, en dat wij in hem moeten gelooven, en d’Afgoden vluchten. Hfst. 5.